Onderzoeksjournalistiek om twee uur ‘s nachts

Tags

, ,

Ik had het helemaal uitgevogeld: onderzoeksjournalistiek zou de (Belgische) media wel redden. Als nieuwsorganisaties daar maar genoeg in investeerden, zouden ze wel weerstaan de vloedgolf van social media-diensten die de relevantie van traditionele media steeds vaker in vraag stellen. Maar op basis van een debat dat ik vorige week bijwoonde, georganiseerd door de alternatieve nieuwssite Apache en het Fonds Pascal Decroos, ziet her er niet naar uit dat we in België binnenkort veel vaker sterke staaltjes van onderzoeksjournalistiek gaan zien.

Van debatteren is – zoals wel vaker op dit soort avonden – weinig in huis gekomen, maar het was wel interessant om enkele van de schaarse Belgische onderzoeksjournalisten (Jan Antonissen van Humo en Douglas De Coninck van De Morgen) én een Nederlandse collega (Eric Smit van Follow The Money) over dit onderwerp te horen vertellen.

Er zijn een aantal redenen waarom er in ons land bitter weinig aan onderzoeksjournalistiek wordt gedaan. (Onder andere omdat het zo’n lang woord is, denk ik.)

Ten eerste is deze vorm van journalistiek vaak erg duur. Je moet een of meerdere van je betere journalisten gedurende dagen, weken, soms zelfs maanden vrijstellen om aan één verhaal te werken. Waarvan je aan het begin overigens nog niet weet of het wel zal kunnen verschijnen. De schrik voor briesende, op de tenen getrapte bigshots en – erger nog – hun leger goed uitgeruste advocaten zit er duidelijk in. En intussen kan of kunnen die journalist(en) geen pagina’s vullen of online artikeltjes die voor de nodige pageviews moeten zorgen. Zolang de media te kampen hebben met dalende inkomsten, zal er dus niet meer budget worden vrijgemaakt voor onderzoeksjournalistiek.

Antonissen en De Coninck waren het erover eens dat er nog een tweede aspect van tel is: de relatie tussen journalist en hoofdredacteur. De Coninck wees erop dat momenteel bijna alle publicaties die de publieke opinie beïnvloeden – De Morgen, HUMO, Knack, zelfs de VRT-nieuwsdienst – momenteel een hoofdredacteur hebben die daar nog niet lang zit. Volgens Antonissen moeten redacteur en hoofdredacteur elkaar nochtans blindelings kunnen vertrouwen als het op risicovolle artikels aan komt. En dat vertrouwen komt er uiteraard pas met de jaren.

Tot slot is het blijkbaar geen prioriteit bij de jonge wolven die net een opleiding journalistiek hebben gevolgd. Zoals Smit het nogal gechargeerd stelde: “Studenten journalistiek zijn luie flikkers. Die willen alleen maar interviews doen, portretjes maken, en zo snel mogelijk hun eigen column.” Kuifjes die overal ter wereld ten strijde trekken tegen het onrecht zijn ze niet. (Anderzijds: heb jij Kuifje eigenlijk één artikel zien schrijven?) Onderzoeksjournalistiek vergt serieuze offers op persoonlijk vlak. Zoals Luc Pauwels, een van de auteurs van De Keizer Van Oostende en ook aanwezig op het debat, het stelde: “Wij moesten dit boek na de werkuren maken. Concreet betekende dat dat wij meestal om twee uur ’s nachts de koppen bij elkaar staken om te zien hoever we stonden.”

Dichter bij Kuifje kom je als journalist niet, denk ik.

Advertisements

Schiet niet op de journalist

ming

 

Er is de voorbije dagen, in de nasleep van het busongeluk in Sierre, zo hard gezanikt over “de journalisten”, “de pers” en “de media” dat het me de strot uitkomt. Ook vlak na het Pukkelpopdrama kreeg ik er al de kriebels van. Het moet maar eens afgelopen zijn, vind ik. Nu de mediastorm rond dit ongeluk is gaan liggen, is het moment misschien gekomen om hier eens rustig over na te denken en te discussiëren.

 

 

Eerst een kleine denkoefening. Beantwoord voor je zelf eens deze vragen voor je verder leest:
1) Heb jij vandaag je werk 100% perfect uitgevoerd? Meer nog: leg je elke dag een foutloos parcours af?
2) Als je dan toch eens een steek laat vallen, hoeveel mensen zullen dat merken?
3) Hoeveel mensen zijn in staat, of menen in staat te zijn, om te oordelen of jij je werk goed doet of niet?

Ik weet niet hoe uw antwoorden luiden, maar in mijn geval is dat:
1) Neen, ik maak elke dag ergens wel een fout (ik ben geen robot of zo).
2) Misschien één of twee collega’s of klanten.
3) Meer dan me lief is, maar eigenlijk valt dat wel mee.

Als je deze vragen aan de gemiddelde journalist stelde, zou je totaal andere antwoorden krijgen. Zoiets als:
1) Zie hierboven, wij zijn ook maar mensen.
2) Gemakkelijk enkele tienduizenden.
3) Meer dan gezond voor is voor wie dan ook.

Niet meteen een positie om jaloers op te zijn, of wel? Wat laat ons wel wezen: iedereen maakt fouten, grote en kleine. Maar perslui mogen blijkbaar niet de minste fout maken of iedereen heeft het gezien en heeft er meteen een mening over. Iedereen kan het beter. Journalisten zijn loslopend wild. Schieten op de pers is een nationale sport. Als ik de gretigheid zie waarmee journalisten worden aangevallen voor vanalles en nog wat, dan denk ik: er is iets grondig fout met onze houding ten opzichte van de pers. Hopelijk kan het onderstaande helpen om dat foute beeld wat bij te stellen.

 
Vier dingen die u moet weten over de pers

Ten eerste: in een democratie moet de pers zoveel mogelijk vrijheid hebben (lees: alleen een strikt noodzakelijke reglementering). Anders kunnen journalisten hun werk niet doen: informatie verzamelen, blootleggen wat men verborgen wil houden, verbanden leggen die ons inzicht verschaffen in de wereld waarin we leven. De pers muilkorven is de deur openzetten naar machtsmisbruik, gesjoemel (nu ja: méér gesjoemel), bandeloosheid. Wil dat zeggen dat journalisten maar mogen doen wat ze willen? Natuurlijk niet. Maar: laat ons zuinig zijn met het reglementeren van de media.

Ten tweede: journalisten komen tegemoet aan een reële vraag. Er is iets misselijkmakend hypocriet aan het alomtegenwoordige gekanker over de overdreven media-aandacht voor het busongeluk enerzijds, en het feit dat tal van kranten en tv-uitzendingen de voorbije dagen enorm goed scoorden. Sorry, maar mij maak je niet wijs dat het land netjes verdeeld is in twee verschillende soorten mensen, in zuivere voor- en tegenstanders. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat heel wat mensen in het openbaar kritiek hebben op de werking van de pers, maar wel doodleuk al die extra nieuwsuitzendingen hebben meegepikt en voor het eerst in weken of maanden nog eens een krantenwinkel zijn binnengestapt. En weet je wat: je hoeft je daar heus niet voor te schamen (voor het consumeren van nieuws, bedoel ik, voor dat gehuichel moet je je natuurlijk wél schamen). Dat is een heel menselijke reactie: we willen weten wat er gebeurd is, we willen weten hoe mensen daarop reageren, we willen de verhalen horen achter deze tragedie. Waarom? Al sla je me dood, ik zou het niet weten. Ik ben geen expert in de menselijke psyche. Ik stel alleen vast.

Ten derde: journalisten zijn geen idioten. Meer nog (en dit zou wel eens hard kunnen aankomen): goede journalisten zijn een pak slimmer dan u en ik. Ze zijn beter geïnformeerd, zien sneller verbanden tussen verschillende gebeurtenissen en zijn meer dan wie ook vertrouwd met de technieken die soms worden gebruikt om ons wat op de mouw te spelden. Maar: zelfs de beste journalisten zijn geen perfecte journalisten. Ook zij kunnen fouten maken. Persoonlijk ben ik er bijvoorbeeld van overtuigd dat het publiceren van de foto’s van de slachtoffers van het busongeluk een foute beslissing was. Maar ik ben er even stellig van overtuigd dat dat een bewuste beslissing was, een beslissing die werd genomen nadat alle voor- en nadelen ervan overwogen zijn. Met kennis van zaken, met de ervaring die deze mensen hebben, en met respect voor de medemens. Die is ver te zoeken bij het soort journalisten die de getroffen scholen belegerden, familieleden van slachtoffers lastig vielen om zo snel mogelijk een (hopelijk zo emotioneel mogelijke) reactie te krijgen. Journalisten die deze getuigenis maar eens moeten lezen. Dat zijn in mijn ogen laakbare journalistieke praktijken. Het zou daarom geen kwaad kunnen als de media zelf werk zouden maken van duidelijke richtlijnen van wat kan of niet kan in deze materie.

Ten vierde: de media zijn – met uitzondering van de VRT (alhoewel…) – een commerciële activiteit. Ze werken in een markt waarin keiharde concurrentie speelt. Een markt die het bijzonder moeilijk heeft omdat we allemaal het nieuws veel liever gratis op het internet lezen dan ervoor te betalen in de krantenwinkel. Een markt waarin werkzekerheid exotischer is dan een eskimo in een mangoplantage. Waarin mensen al eens dingen tegen hun zin doen om hun job te houden. Omdat er thuis kinderen rondlopen die eten, nieuwe kleren, speelgoed en een goede opleiding nodig hebben. Dat bepaalt soms wat we te zien of te lezen krijgen in de media. Het zou niet mogen, maar het is zo (tot spijt van wie het benijdt…). Als jij weet hoe het kan worden opgelost, laat het dan zeker weten.

 
Omgaan met  fouten

Persoonlijk ben ik van mening dat er in de verslaggeving over het busongeluk fouten zijn gemaakt: feitelijke fouten, maar vooral inschattingsfouten en wellicht zelfs ethische fouten. Er zijn fouten gemaakt uit gebrek aan ervaring, als gevolg van tijdnood, van werkdruk en ongetwijfeld ook van commerciële druk. Tal van journalisten, hoofdredacteurs en uitgevers hebben de voorbije weken moeilijke keuzes moeten maken, keuzes waar zelfs de meest bekwame en ervaren mensen heel veel moeite hadden (zie ook wat iemand als Peter Vandermeersch in Nederland is overkomen door de berichtgeving over prins Friso in NRC). We moeten ons niet wijsmaken dat wij het allemaal beter, laat staan perfect hadden afgehandeld.

Natuurlijk zou het goed zijn als alle hoofdredacteurs de komende weken, nu de rust op de redactie is teruggekeerd (voor zover dat ooit het geval is, natuurlijk), eens goed nadenken over hun aanpak van dit verhaal, eens tijd maken voor een evaluatie. Ik ben er zelfs vrij zeker van dat dat zal gebeuren. Ik heb in het verleden, toen ik er nog zelf één was, maar al te vaak vastgesteld dat journalisten ook hun eigen werk met hun typische kritische blik bekijken.

Wil dat zeggen dat er in de toekomst geen fouten meer zullen worden gemaakt? Zolang kranten, tijdschriften, radio- en tv-reportages door mensen worden gemaakt, is de kans groot dat we deze discussie nog vaker gaan houden. Alleen hoop ik dat wat meer mensen datgene gaan opbrengen waar het volgens hen de voorbije dagen zo hard aan ontbrak in de berichtgeving: wat meer respect.

Ik kan het niet

Ik ben geen watje. Toen mijn duim eens moest worden gehecht, keek ik geïnteresseerd toe hoe de verpleger met naald en draad én mijn huid zat te knutselen. Gewéldig, vond ik dat. Op een KSA-kamp waar ik als leider rondliep, was er een jongen in geslaagd om een bijl in zijn eigen voorarm te planten. Ik heb daar toen rustig een doek rond gebonden en een chauffeur opgetrommeld om ‘m naar het ziekenhuis te brengen. Als ik op YouTube – of eerder een van de meer obscure videosites – filmpjes zie waarin wildvreemden in stukken blijken gereten na een vreselijk ongeval, dan doet me dat eerlijk gezegd niets.

Maar deze week was het anders. Via Twitter kwam ik op Youtube terecht op een fragment van CNN: de laatste reportage van de jammerlijk overleden journaliste Marie Colvin. Daarin deed ze verslag van de doodsstrijd van een jongetje van twee, dat tijdens de opnames bezweek aan de verwondingen dat het had opgelopen tijdens een aanval op de stad Homs in Syrië.

Dat het kind overleed in de loop van de reportage weet ik alleen omdat ik het ergens heb gelezen. Ik heb het filmpje namelijk niet tot het einde kunnen uitkijken. Ik kon het gewoon niet. En nog altijd niet. Toen ik de link ervan opzocht voor deze blogpost, nam ik voor om het nog eens te proberen. Maar het gaat echt niet.

Stervende kinderen, lijdende kinderen: iets erger bestaat er vast niet. Maar het doet ons doorgaans veel minder dan zou mogen. We zijn al veel gewoon. Afgestompt. Het wordt zo abstract. “Goh, wat erg,” zeggen we. En we doen verder waar we mee bezig zijn.

Ik was vroeger ongetwijfeld ook zo. Maar sinds ik zelf kinderen heb, is dat enorm veranderd. Ik haat het als dat gebeurt, maar als ik naar een film kijk – fictie, hé! – waarin kinderen iets ergs overkomt, dan krijg ik zowaar al tranen in de ogen. En beelden zoals die van CNN, de rauwe werkelijkheid dus, daar word ik soms fysiek onwel van. Nochtans: ik ben geen watje.

Ik ben gewoon weer wat bijgestompt.

Journalistiek in 2012

Bloggen, dat komt er haast niet meer van, maar een bijdrage voor het stilaan prestigieuze Trendrapport van Netlash, daar wou ik nog wel eens een paar uur voor aan de schrijftafel zitten. Het resultaat vind je hieronder, maar download zeker het rapport zelf – je zal er geen spijt van hebben!

Journalistiek in 2012: en plein public

Je zou het niet meteen verwachten, maar journalisten zijn nogal conservatief wat hun job betreft. Het overgrote deel van hen werkt nog altijd op nagenoeg dezelfde wijze als pakweg vijf jaar geleden. Dat heeft te maken met het maatschappelijk belang van hun vak en ook de hoge werkdruk zit er uiteraard voor iets tussen. Veel ruimte voor experimenten is er niet.
Ook in 2012 zal er in de journalistiek dus niet zo heel veel veranderen, zeker niet in België. Slechts een minderheid van de journalisten voelt zich geroepen om hun aanpak aan te passen aan de nieuwste technologische ontwikkelingen. Laten we eens kijken welke trends die pioniers hebben ingezet.

God ziet u! En wij ook.

Artikels en reportages worden nu soms gemaakt op plaatsen waar ze vroeger alleen werden gepubliceerd en becommentarieerd: op sociale netwerken als Facebook, LinkedIn en Twitter. Alsmaar vaker vinden daar conversaties plaats tussen journalisten en woordvoerders van bedrijven of organisaties die later verwerkt worden in artikels. Dat verloopt niet altijd even vlot: het gaat er soms ronduit chaotisch toe en leidt uitzonderlijk zelfs tot genante momenten. Zowel journalisten als woordvoerders moeten het duidelijk nog gewoon worden dat sommige van hun gesprekken “en plein public” plaatsvinden. En dat er niet alleen wordt meegeluisterd, maar af en toe ook wordt meegepraat.

Iedereen woordvoerder

Het zijn niet altijd meer de officiële, vooraf met de pr-verantwoordelijke afgesproken personen die met journalisten converseren. In social media ontstaan alsmaar vaker connecties of relaties tussen journalisten en andere werknemers van bedrijven. Vroeger gebeurde dat ook al – op bedrijfsevenementen, tijdens stakingen of zelfs op café – maar nu is het een stuk gemakkelijker geworden voor journalisten om zulke mensen te vinden, te volgen en te contacteren.
Op het eerste gezicht is dat een pr-nachtmerrie, maar er zijn ook goede kanten aan: wat die officieuze woordvoerders vertellen, wordt vaak authentieker – en dus interessanter – gevonden dan de officiële communicatie.

Gedaan met die vervelende deadlines?

In zijn onlangs verschenen boek “Media morgen” schrijft Jo Caudron dat er in de toekomst geen deadlines meer zullen zijn. Volgens hem moeten kranten en tijdschriften ook los van hun vaste verschijningsfrequentie (dag, week, maand, …) een constante stroom van content produceren. Dat is wat de huidige generatie mediagebruikers, opgegroeid met de timeline van Twitter en de newsfeed van Facebook, nu eenmaal verwachten.

Afgaande op mijn eigen ervaringen als journalist – en nu zullen een aantal ex-collega’s het ongetwijfeld op een monkelen zetten – zou die aanpak er volgens mij toe leiden dat er helemaal géén artikels meer verschijnen. Deadlines zijn nodig om verhalen gepubliceerd te krijgen. Maar met een beetje organisatie kunnen kranten of tijdschriften wel verschillende publiceermomenten voorzien, waardoor ze continu artikels de wereld insturen. Ik verwacht dat binnenkort publicaties zullen beginnen te experimenteren met dit model. Waarin dus ook nog deadlines bestaan. Sorry!

Een leger van medewerkers

Tal van journalisten hebben in de loop van hun carrière een aardige verzameling telefoonnummers vergaard van mensen die ze kunnen bellen voor nieuws of een woordje uitleg. Zo’n boekje aanleggen wordt helaas moeilijker en moeilijker. Actief zijn in social media is gelukkig een bruikbaar alternatief. Wie vaak en goed twittert, kan een mooi legertje volgelingen verzamelen, dat mettertijd ook een legertje medewerkers kan worden. Je kunt hun vragen of ze iets afweten van het onderwerp waarmee je bezig bent, of ze iets willen checken, enzovoort. Ik zie steeds vaker journalisten die daar een beroep op doen, zo te zien ook met resultaat.

Steeds meer BJ’s! (Bekende Journalisten)

Journalisten die via social media een netwerk, een publiek hebben opgebouwd, kunnen dat ook gebruiken als promotiemiddel: om reclame te maken voor het medium waaraan ze zijn verbonden, en zichzelf in één moeite door als expert te profileren. Andere journalisten – vaak van radio of televisie – zullen hen sneller vragen om iets te komen uitleggen, waardoor ze een groter of ander publiek bereiken. Vroeg je in 2009 aan iemand die niet in de media werkte om de namen van tien journalisten op te noemen, dan leverde dat steevast een lange “Euh…” op. Tegenwoordig is diezelfde opdracht voor heel wat mensen een koud kunstje: ze kennen de mensen in kwestie van Twitter. Sommige twitteraars zijn zwaar fan van bepaalde journalisten en laten dat ook blijken.

De keerzijde van de medaille: lezers die kritiek hebben op wat in de media verschijnt, kunnen hun bezwaren nu publiekelijk en oncontroleerbaar uiten. Journalisten zullen op termijn dus zorgvuldiger en voorzichtiger te werk moeten gaan, wat de kwaliteit van de journalistiek ten goede kan komen.

Check en dubbelcheck – maar intussen toch al publiceren

Nog in “Media Morgen” vertelt Jo Caudron over nieuwsberichten die hij op Twitter voorbij zag komen met de hashtag #unconfirmed. De journalist had iets opgevangen en terwijl hij een tweede bron zocht voor dat nieuwtje, gooide hij het alvast – onder voorbehoud, zeg maar – op Twitter. Later verscheen het bericht opnieuw met de hashtag #confirmed erbij, maar intussen had de journalist het nieuws wel al “geclaimd”.

Dit is lang geen schitterende oplossing. Bovendien kan deze tactiek gemakkelijk misbruikt kan worden om het eerste het beste aannemelijk klinkende gerucht te publiceren. Aan de andere kant: soms is er bij het lezerspubliek zo weinig begrip voor de werkwijze die journalisten moeten volgen voor ze een bericht kunnen brengen dat er misschien niets anders opzit. Ik kijk al uit naar het eerste bericht van een Belgische journalist met de hashtag #onbevestigd…

Waarom, waarom, waarom?

Als nieuws zich ergens als een lopend vuurtje verspreidt, dan is het wel op sociale netwerken. Toch blijven veel media hun klassieke rol als leverancier van nieuws onverstoorbaar verder spelen. Dat is heel begrijpelijk. Je kunt je als publicatie of zender vaak niet permitteren om iets niet te brengen. Wat hadden de kranten de dag na het Pukkelpopdrama anders op hun voorpagina moeten zetten?

Volgens sommige experts verwachten we van traditionele media alsmaar minder dat ze ons vertellen wat er gebeurd is, en alsmaar meer dat ze verklaren hoe het kunnen gebeuren is. Daardoor neemt de portie duiding in kranten overhand toe. Alleen: de lezer is daar niet altijd blij mee. Dat journalisten géén nieuws meer zouden brengen en dat allemaal maar overlaten aan Twitteraars en Facebookers is duidelijk een stap te ver. Daarom denk ik dat er de komende jaren meer zal worden gegraven, dat traditionele media steeds meer verhalen zullen brengen die niet vanzelf naar boven komen. Een optimistische verwachting, geef ik grif toe, misschien zelfs wat naïef, gezien de daling in echte onderzoeksjournalistiek van de voorbije jaren. Maar als uitgevers die daling naast de daling van hun verkoopcijfers leggen, zijn er hopelijk een paar die beseffen dat het misschien het moment is om het roer om te gooien. Laat het ons hopen.

Afscheid van fredegre (1994-2011)

Hij ging al heel lang mee, van in 1994 nota bene. Dat is 17 jaar, als ik nog zonder elektronische hulpmiddelen kan rekenen. Zelf heb ik er nooit enig probleem mee gehad, maar de rest van de wereld – op een paar uitzonderingen na – bracht hij blijkbaar in de war. Nu, de meesten onder hen waren vanzelf al een beetje in de war, maar je moet het niet erger maken dan het al is, natuurlijk. Daarom heb ik vorige week afscheid genomen van fredegre, mijn eerste Twitternaam.

Hola, zullen de exemplaren die enigszins bij de pinken zijn nu te berde brengen, klaar om een ‘#fail’ van jewelste te delen met de wereld (of toch dat klein stukje van de wereld dat hun tweets leest). Ik weet het: in 1994 was er nog geen Twitter. Daar ben ik pas vijf jaar geleden mee begonnen. Maar in 1994 was er wel al e-mail, en tikte ik mijn eerste e-mailadres op de kop: fredegre@knooppunt.be. Hoe ik in godsnaam op die “fredegre” ben gekomen, is me nog altijd een raadsel. Was “fdg” al bezet? Zou kunnen. Was dat te kort? Eveneens mogelijk. In die tijd was me nogal bedreven in het opstellen van regeltjes. Dat gold zelfs voor Knooppunt, een kleine, wat alternatieve internetprovider waarvan de bezielers dachten dat ze de wereld konden verbeteren met computers. Ik moest onlangs nog aan ze denken, toen protestanten in Tunesië en Egypte zich wapperend met laptops ontdeden van hun lokale dictator…

Soit, toen had ik nog helemaal geen last van “fredegre”, maar met Twitter begon dat te veranderen. Een aantal mensen waarmee ik enkel via dat kanaal contact had, begonnen me plots “Fred” te noemen. Daar valt – zoals de heren De Bruyne, De Burghgraeve en Flinstone kunnen beamen – nog mee te leven. Andere mensen schreven het voortdurend verkeerd – fedegre, frdegre, alle varianten passeerden de revue. Oké, ook dat liep zelden fataal af.

Maar toen kwamen de Twunches, waarbij het al eens voorviel dat je je niet alleen met je echte, maar ook met je Twitter-naam voorstelde. Toen begon de miserie pas echt. “Hoe, zeg je? Furrurruh?” was zowat de meest gebruikelijke reactie. Doctor Hfuhruhurr had nog een makkelijker naam dan de mijne…

Vorige week dinsdag liep de emmer over. Ik ging toen naar de eerste sessie van GentM, een reeks presentaties, debatten en evenementen (in de jaren zestig zouden we dat gewoon happenings hebben genoemd) rond digitale cultuur in Gent. Zowat iedereen die er rondliep zat op Twitter, en dus was het voortdurend van “Fred?”, “Ah, ik dacht dat je het als Freedeegree moest uitspreken.”, “Hier zie, de Fre!”, enzovoort, enzoverder. Werkelijk elke ontmoeting begon met zo’n onnozele discussie. “Nu is het genoeg,” besliste ik die avond. “Fredegre gaat eraan!”

En zo geschiedde. En wat lees je dan op Twitter als een van de eerste reacties? “Ik vond @Fredegre net zo leuk!” En wie wordt er geciteerd in een blogpost die onmiddellijk na het evenement verscheen? Juist, ja.

De basterd.

Heldere communicatie

Dat we met z’n allen online bankieren levert de banken een aanzienlijke besparing op. Minder volk aan de loketten, minder papierwerk, enzovoort. Het bespaart hen ook postzegels. Als ze hun klanten iets te vertellen hebben, doen ze dat gewoonweg via een bericht in de bankierapplicatie zelf. Onlangs vond ik daar dit bericht terug:

Wijziging Algemene Bankvoorwaarden (ABV)

Artikel I.30 en I.31 van de ABV worden aangepast. De
wijzigingen zijn alleen van toepassing op stilzwijgend en
uitdrukkelijk toegestane kredietopeningen op een
zichtrekening met een kredietbedrag kleiner dan 1.250 euro en
een debetperiode van maximaal 3 maanden. Als XXX Bank een
ingebrekestelling verstuurt ter aanzuivering van een
debetsaldo mag zij een wettelijk bepaalde vergoeding
aanrekenen van 7,50 euro, plus verzendingskosten. Als na
beëindiging van de cliëntrelatie het debetsaldo niet wordt
aangezuiverd, is de cliënt een wettelijk bepaalde forfaitaire
schadevergoeding verschuldigd van 10% van de schijf van het
debetsaldo tot 7.500 euro en 5% van de schijf van het
debetsaldo boven 7.500 euro. Voor consumenten wordt in een
gelijkwaardige vergoeding voorzien. De vernieuwde versie is
beschikbaar vanaf 29 september 2010 in uw bankkantoor of op
www.xxxbank.be onder documentatie/reglementen/particulieren. De
nieuwe versie treedt in werking op 30 november 2010. Tenzij u
vóór deze datum zou afzien van de diensten waarop de

wijzigingen betrekking hebben, gaan wij ervan uit dat u
akkoord gaat met de aanpassingen.

Datum van kennisgeving: 12-08-2010

Zo stond het er. Krom, gebocheld en lichtjes verminkt (die onnodige witregel, zie je?). Nauwelijks begrijpelijk voor de gewone sterveling, die echter al snel door heeft dat dit wellicht geen goed nieuws is. Op zo’n momenten vraag ik me dan af: doen ze dat nu opzettelijk of kunnen ze gewoon niet beter? Is er dan niemand bij zo’n bank die al eens een congres over goede bedrijfscommunicatie bijwoont? Is er daar dan niemand die al eens een boek leest waarin je te weten komt dat het rendeert om je klanten met respect te behandelen?

Ik ben niet meteen van plan om bij mijn bank weg te gaan, zeker niet om zo’n akkefietje. Maar als ze nog eens met extra diensten komen leuren, zal ik ze ook eens iets onverstaanbaars, overdreven moeilijk geformuleerd en ontdaan van elke menselijke consideratie opsturen. Maar vrij vertaald zal het neerkomen op: steek het in uw gat.

Niet interessant genoeg

Eerst en vooral: ik heb niets tegen cultuursites. Cultuursites zijn oké. Cultuursites zijn nodig. Meer nog: sommige van mijn beste vrienden zijn cultuursites. Denk ik soms.

En aansluitend: ik heb evenmin iets tegen Cobra.be. Mooie site, meteen al een eigen smoel, overzichtelijk, gevarieerd: meer kan je van een cultuursite niet wensen.

Veel minder geslaagd vind ik de advertentiecampagne, met name de banners die je her en der op websites ziet verschijnen. Een voorbeeld:

Zozo. Daar hebben die twitteratutti fan cosi-wozy’s niet van terug, hoor! Iederéén weet toch dat Twitter bol staat van hersenloos gebral, onzin als “ik ga kakken” en “ik ga boodschappen doen”, van totaal oninteressant gewauwel dus – in schril contrast met onze website, waar elk woord bol staat van betekenis, gewikt en gewogen is als ware het puur goudstof, en met zorg gekozen om de hoogstaande literaire werken die we hier behandelen niet teveel te schofferen.

Geinig hoor. Maar ook een beetje – hoe zal ik het zeggen? – bekrompen, eigenlijk. Niet meteen wat je van een cultuursite anno 2010 zou verwachten, toch. Is Twitter – en dan mag je het van mijn part zo onnozel noemen als je wil – ook geen cultureel verschijnsel? Of is Cobra.be een site waar enkel “Cultuur met een grote K” thuishoort? Een oase van intellectuele verpozing in de brij van banaliteit die het internet toch is?

En kijk hoe schattig: op de pagina waarop de campagne wordt aangekondigd vraagt men de bezoeker om… erover te twitteren.

Ik heb het even overwogen, maar vond het bij nader inzien niet interessant genoeg.

PS: Jaja, ik begrijp dat het eigenlijk al om te lachen is, maar een sector die onder het imago lijdt dat ze maar weinig voeling heeft met de rest van de wereld moet ervoor opletten dat ze die perceptie niet in de hand werkt. En dan heb ik het over de cultuursector en niet over de technologie-geeks, voor alle duidelijkheid. From Twitterfeed nog aan toe.

Achterhoedegevecht?

journalist

  • 38% van de Belgische journalisten is niet terug te vinden op Facebook.
  • Circa 9% gebruikt Twitter voor beroepsdoeleinden.
  • Ruim de helft (57,1%) gebruikt  nooit RSS-feeds.
  • Bijna de helft (46,2%) bezoekt nooit blogs die verbonden zijn met de bedrijven waar ze over schrijven.

Dat zijn enkele van de meest opvallende resultaten van een onderzoek dat we bij Quadrant Communications (mijn werkgever) hebben uitgevoerd, en dat hier verder wordt toegelicht. (Inderdaad, alsof ik mijn eigen blog nog niet genoeg verwaarloosde, ga ik nu ook nog voor het werk bloggen. Schandalig, ik weet het…)

Toen we het onderzoek voorbereidden, dacht ik niet dat het gebruik van social media bij journalisten veel hoger zou liggen. Ik schat dat er op dit vlak weinig verschil is tussen het gebruik bij journalisten als in andere beroepscategorieën (webbouwers en marketeers niet te na gesproken). Een collega op het werk vond dat vrij normaal. Ik niet.

Social media – of laten we het nog eens Web 2.0 noemen – lijken me namelijk gemaakt voor journalisten. Met een beetje zoekwerk vind je al snel tal van nuttige tips of hele handleidingen om zaken als Twitter, Facebook, LinkedIn, RSS en blogs te gebruiken voor journalistieke werk. Ze kunnen helpen bij het vinden van nieuws, het verifiëren van feiten, het zoeken naar experts, als inspiratie voor dossiers, als voorbereiding op interviews, enzovoort. Het is tegelijk een bron van informatie, een geavanceerd communicatiekanaal en een alternatief publicatie-instrument. What’s not to like?

Zelf heb in de tweede helft van de jaren negentig meegemaakt hoe het internet – good ol’ Web 1.0 en vooral e-mail, natuurlijk – zijn intrede deed in het vak. Ik was er persoonlijk meteen wild van – ook omdat ik over sommige van die doorbraken mocht schrijven – maar ik merkte hier en daar toen ook wat weerstand. “De telefoon is het belangrijkste instrument van elke journalist”, heb ik een collega destijds letterlijk horen zeggen. (En hij had niet helemaal ongelijk, denk ik) En toch gebruikt elke journalist momenteel het internet.

Laten we nog enkele decennia verder teruggaan in de tijd, toen ik krantenpapier vooral nog zag als een basisingrediënt van papier-maché. Midden de jaren zeventig zaten twee journalisten de telefoonrekening van hun uitgever flink de hoogte in te jagen om te weten te komen wie er achter het Watergate-schandaal zat. Ik weet helaas niet meer waar ik dat heb gelezen, maar blijkbaar was het in die tijd eigenlijk not done om, zoals Bernstein en Woodward, een belangrijk journalistiek dossier grotendeels per telefoon tot een goed einde te brengen. (“De deurbel is het belangrijkste instrument van elke journalist”, zou je hun collega’s destijds misschien hebben horen zeggen.) En toch gebruikt elke journalist tegenwoordig zijn telefoon.

Wat denken jullie? Vinden jullie het normaal dat journalisten social media niet vaker (of misschien zelfs minder vaak) gebruiken dan de gemiddelde Belg? Hebben jullie enig idee waarom ze dat niet vaker doen? Is dit opnieuw een achterhoedegevecht – zoals met de telefoon en e-mail destijds – of is er meer aan de hand?

090909090909

Tijd om mijn kristallen bol eens boven te halen. Andhi heeft me namelijk gevraagd om eens te laten weten wat ik woensdagochtend zal doen.

klok

Geen alledaags verzoek – als we zo gaan beginnen… – maar woensdag aanstaande is dan ook een speshale dag. Niet alleen omdat “Maya” dan jarig is – en daar nu vast al wat opgewonden over is – maar ook omdat die dag – de 9de van de 9de maand van 2009 dus – om 9 seconden na 9 minuten over 9 uur ‘s ochtends de wereld zal vergaan. Of zoiets.

In elk geval zullen veel mensen – nou ja, in elk geval veel mensen met een belangstelling voor computers waarvan de gezondheid betwistbaar kan worden genoemd – naar de klok kijken. Dan kunnen we namelijk de combinatie 090909090909 zien. De gevolgen daarvan kunnen catastrofaal zijn. Stel dat zo iemand net in zijn auto zit en met volle snelheid op een druk kruispunt afstevent? Of erger nog: achter de stuurknuppel van een Boeing 747 (of hoger) die on collision course met iets heel hards zit? Of in een kerncentrale werkt en per ongeluk op een knop duwt die daar alleen staat om er per ongeluk op te duwen, waarna de boel ontploft?

Daarom, beste Andhi, blijf ik woensdagochtend wellicht gewoon thuis. Met de kinderen. In de kelder. Het is niet omdat de milleniumbug een scheet in de fles bleek dat we er nu ook maar gerust op moeten zijn. Ooit raakt ons geluk op. En als het woensdag niet is, dan zou ik op zondag 10 oktober 2010 om 10 seconden na 10 over 10 maar heel voorzichtig zijn…

Journalisten moeten op LinkedIn

LinkedIn_logo_1Nu we toch bezig zijn. Journalisten moeten niet alleen bloggen en twitteren – of dat tenminste overwegen – maar zeker ook een LinkedIn-profiel aanmaken en onderhouden.

Ik verklaar me nader. Het is de laatste weken wat kalmer op kantoor. Nogal wat journalisten en contactpersonen bij onze klanten zijn met vakantie, en een aantal publicaties waar we veel mee te maken hebben verschijnen niet (zo vaak) in de zomer. Een ideaal moment dus om onze persdatabase nog eens grondig door te nemen en ervoor te zorgen dat alle gegevens up-to-date zijn. Daarbij proberen we geregeld een beroep te doen op LinkedIn, maar valt dat even tegen, jongens. Ik schat dat de helft van alle Belgische journalisten geen LinkedIn-profiel heeft, en dat heel wat van de bestaande profielen nauwelijks worden onderhouden. Journalisten die we vorige week nog aan de lijn hadden blijken volgens LinkedIn nog bij een publicatie te werken waar ze al twee of drie jaar weg zijn.

De voordelen van LinkedIn voor journalisten zijn nochtans overduidelijk. Het is een van de eenvoudigste manieren om een enorm netwerk op te bouwen. En zoals ze zeggen: in de journalistiek is het niet what you know, maar who you know wat telt. Zo’n netwerk kan geweldig helpen bij je research. Ben je bezig met een verhaal over firma X en wil de woordvoerder je niet helpen, dan vind je via LinkedIn binnen de kortste keren wel een aantal werknemers van die firma die in jouw netwerk of dat van een kennis zitten. LinkedIn biedt bovendien allerlei groepen waarvan je je lid kunt maken en waarin discussies worden gehouden die voor de leden van die groep relevant zijn. Toegegeven, het niveau van die discussies is niet altijd indrukwekkend, maar je kunt er gemakkelijk een vraag in kwijt die doorgaans wel wordt beantwoord door een paar mensen. En wil je een antwoord op een heel specifieke vraag, dan is LinkedIn vaak de meest efficiënte manier om een expert te vinden die je daarmee kan helpen. Laat de bezoekers van LinkedIn gerust ook weten waar je mee bezig bent. Het zou niet de eerste keer zijn dat je langs die weg plots een tip krijgt dat je onderzoek een heel eind vooruit helpt of een andere weg uitstuurt.

En zeker niet onbelangrijk: door je LinkedIn-profiel up-to-date te houden (m.a.w. door je huidige job te vermelden en beter nog: je specialisaties op te sommen) vermijd je dat PR-mensen je contacteren met onderwerpen waar je niets mee kunt aanvangen. Of toch een beetje… Uit eigen ervaring weet ik hoe vervelend het is als een PR-verantwoordelijke je belt of mailt met een voorstel dat in de verste verte niets te maken heeft met de zaken waar je gewoonlijk over schrijft. “Hallo, ik zie dat u de mediaspecialist bent van De Standaard, en daarom dacht ik dat u wel geïnteresseerd zou zijn in ons nieuw gamma cd-r’s en andere herschrijfbare media…” (Echt gebeurd!) Uit een onderzoek dat we de voorbije weken hebben gehouden – en waarvan we in de loop van de zomer de resultaten zullen bekendmaken – blijkt dat dit soort zaken nog altijd voor heel wat ergernis zorgt. Ik zeg niet dat LinkedIn het probleem helemaal gaat oplossen, maar het kan alleszins geen kwaad.

Volgende week: Journalisten moeten op Facebook! 🙂