Ik ben geen watje. Toen mijn duim eens moest worden gehecht, keek ik geïnteresseerd toe hoe de verpleger met naald en draad én mijn huid zat te knutselen. Gewéldig, vond ik dat. Op een KSA-kamp waar ik als leider rondliep, was er een jongen in geslaagd om een bijl in zijn eigen voorarm te planten. Ik heb daar toen rustig een doek rond gebonden en een chauffeur opgetrommeld om ‘m naar het ziekenhuis te brengen. Als ik op YouTube – of eerder een van de meer obscure videosites – filmpjes zie waarin wildvreemden in stukken blijken gereten na een vreselijk ongeval, dan doet me dat eerlijk gezegd niets.

Maar deze week was het anders. Via Twitter kwam ik op Youtube terecht op een fragment van CNN: de laatste reportage van de jammerlijk overleden journaliste Marie Colvin. Daarin deed ze verslag van de doodsstrijd van een jongetje van twee, dat tijdens de opnames bezweek aan de verwondingen dat het had opgelopen tijdens een aanval op de stad Homs in Syrië.

Dat het kind overleed in de loop van de reportage weet ik alleen omdat ik het ergens heb gelezen. Ik heb het filmpje namelijk niet tot het einde kunnen uitkijken. Ik kon het gewoon niet. En nog altijd niet. Toen ik de link ervan opzocht voor deze blogpost, nam ik voor om het nog eens te proberen. Maar het gaat echt niet.

Stervende kinderen, lijdende kinderen: iets erger bestaat er vast niet. Maar het doet ons doorgaans veel minder dan zou mogen. We zijn al veel gewoon. Afgestompt. Het wordt zo abstract. “Goh, wat erg,” zeggen we. En we doen verder waar we mee bezig zijn.

Ik was vroeger ongetwijfeld ook zo. Maar sinds ik zelf kinderen heb, is dat enorm veranderd. Ik haat het als dat gebeurt, maar als ik naar een film kijk – fictie, hé! – waarin kinderen iets ergs overkomt, dan krijg ik zowaar al tranen in de ogen. En beelden zoals die van CNN, de rauwe werkelijkheid dus, daar word ik soms fysiek onwel van. Nochtans: ik ben geen watje.

Ik ben gewoon weer wat bijgestompt.