Je wijn komt naar je toe deze zomer

Tags

, , ,

Zou je graag betere wijn drinken dan de industriële brouwsels waar grootwarenhuizen vol mee staan (al vind je daar, toegegeven, mits enig zoekwerk ook al eens iets behoorlijks), maar weet je niet zo goed waar te beginnen? En wil je meteen ook meer weten over wijn, zodat je de volgende keer kunt meepraten als je tafelgenoten weer bezig zijn over die “zachte tannine” in hun Pomerol, of over de “minerale toets” in deze of gene Albariño? En mag dat ook iets kosten? Dan is de start-up Our Daily Bottle misschien iets voor jou.

 

 

Mensen samenbrengen rond wijn

Our Daily Bottle zou je enigszins kunnen omschrijven als HelloFresh voor wijn. Het is namelijk ook een formule waarbij je elke maand verrast wordt met een paar flessen wijn die door Valeer en Isabeau, de mensen achter Our Daily Bottle, werden uitgekozen. Maar er is meer: Our Daily Bottle wil een wijnclub zijn, mensen samenbrengen rond het edele vocht. Een nobel streven.

Vorige woensdag hielden ze – bij wijze van maiden event – een degustatie in Antwerpen, en omdat ik getweet had over dit initiatief, werd ik prompt uitgenodigd. (Ha, zeg nu nog eens dat al dat tweeten nergens goed voor is.) Vóór we de eerste vier wijnen uit het gamma mochten proeven, werden we eerst onderworpen aan een leuke, maar moeilijke test. Ze hadden namelijk 18 glazen gevuld met een heel neutrale wijn én telkens een verschillend smaakadditief: citroen, pompelmoes, ananas, meloen, groene paprika, vanille, maar ook gras, confituur, peper, chocolade en koffie, bijvoorbeeld. En die moesten we zien te identificeren. Makkelijker gezegd dan gedaan, natuurlijk (ik haalde een beschamende 7 op 18 😖). Maar wel een interessante oefening!

 

Wijn uit de woestijn

Daarna was het tijd om kennis te maken met de eerste wijnen die de abonnees van Our Daily Bottle in de bus gaan krijgen. Bij de “instapwijnen” waren dat de Masetto Bianco van Endrizzi, uit Alto Adige (net onder de Dolomieten, dus) en La Inocencia van Viña Luparia uit Ciudad Real (ten zuiden van Madrid). De Masetto Bianco is een bijzondere mengeling van Chardonnay, Sauvignon Blanc, Pinot Grigio en Riesling, maar het resultaat is een heel toegankelijk, soepel wijntje. La Inocencia is een jonge, aangename Tempranillo, gekenmerkt door het typische geconfijt rood fruit.

Wie voor de wat duurdere wijnen kiest, krijgt een mooie Chardonnay van La Coume-Lumet uit de Limoux-streek en de rode Smiley van Silwervis uit de Swartland-regio in Zuid-Afrika. Die laatste is een heel bijzondere wijn, niet alleen omdat Swartland een snikheet woestijngebied is waarvan niemand ooit dacht dat er behoorlijke wijn te maken viel, en evenmin omdat het een mengeling is van Cinsault, Syrah en Tinta Barocca, maar vooral omdat de wijnmaker de oogsten van verschillende jaren vermengt om de smaak te creëren. Dat levert een uitzonderlijke wijn op, waarvan zowel het aroma als de smaak in het glas blijven evolueren.

Vier heel correcte wijnen dus, én een interessante degustatie, waarbij er ook veel interactie was met de andere deelnemers. En bovenal: een leuke kennismaking met twee jonge mensen met veel lef en minstens evenveel kennis, die hun liefde voor de wijn uitstekend weten over te brengen. Daar klinken we op!

 

Boontje komt om zijn loontje

Tags

Ondernemers krijgen te weinig respect.

Ik krijg stilaan de wubbes van dit soort opmerkingen. Als ondernemers – waarvoor ik in se wel bewondering heb – klagen dat ze te weinig respect krijgen, dan hebben ze dat in hoofdzaak aan zichzelf te danken.

(c) cucchiaio on Flickr.com

(c) cucchiaio on Flickr.com

Een beetje ondernemer weet namelijk dat reputaties hoofdzakelijk in de pers worden gemaakt. En waar komen ondernemers doorgaans mee in de gazet? Een losse greep:

Fraude en gesjoemel. Lang vóór er met software werd gesjoemeld, besteedden ondernemers en fiscalisten al enorme inspanningen aan het bedenken van manieren om zo weinig mogelijk belastingen te betalen. Ondernemers hebben vaak de mond vol over “het najagen van dromen” en “een eigen zaak beginnen omdat het kriebelt”, maar in de praktijk zie je dat simpel geldgewin vaak de drijfveer is. Waarvoor alle middelen goed zijn, blijkbaar. Toegegeven: het is ook een vorm van creativiteit. En toewijding.

Het onvoorwaardelijk vooropstellen van economische belangen. Alsof er in het leven (en in de maatschappij) geen andere belangrijke prioriteiten bestaan. Economie de motor van de maatschappij? Bewijs dat eerst maar eens, makker. Zie ook: “ontslagrondes” verdedigen. Wat haast als een spelletje, of een dans klinkt. Terwijl het over mensenlevens, slapeloze nachten, tweedehandskledij, goedkope en dus ongezonde voeding, geschrapte schoolreizen en gefnuikte dromen gaat.

Mopperen over de hoge loonkost. Dat is in België duidelijk een probleem, maar werknemers – die daar weinig aan kunnen doen – proberen opzadelen met een schuldgevoel is a) niet eerlijk, en b) niet verstandig. De doorsnee-burger vertaalt dat namelijk als: mijn baas vindt dat ik te veel verdien, terwijl ik maar een fractie van zijn loon krijg. Leg het maar uit.

Mopperen over gebrek aan respect. Terug naar Start, u ontvangt geen 100 euro.

En dan zijn we verwonderd dat zo weinig mensen geneigd zijn om een eigen zaak te starten… Een beetje meer lichtende voorbeelden zouden volgens mij geen kwaad kunnen. Zo moeilijk is het overigens niet: gewoon actief en passioneel communiceren over wat je drijft als ondernemer, hoe je er als ondernemer toch in slaagt om af en toe je economische belangen opzij te zetten voor een groter goed, hoe dankbaar je bent voor de mensen die je succes mee mogelijk maken, enzovoort.

Iemand als Wouter Torfs slaagt er – op een enkele uitschuiver na – bijvoorbeeld in om hoofdzakelijk positief te communiceren. Geregeld de lof van zijn personeel te bezingen. Beseffen dat er meer is in het leven dan geld verdienen alleen. Laten we er geen heilige van maken, maar zo moesten er meer zijn. Wie blijft zagen en neuten, kan wat mij betreft keihard naar zijn respect fluiten.

Moet de VRT een sociaal netwerk bouwen?

Tags

, , ,

vrtbookKnack-redacteur Joël De Ceulaer heeft zich voorgenomen om voor onbepaalde tijd geen meningen meer te spuien, maar liet vlak voor zijn opinievasten toch nog een mooi exemplaar op de mensheid los: de VRT moet een sociaal netwerk voor tieners voorzien.

’t Spel was uiteraard meteen espe. Deze namiddag (niet mijn meest productieve namiddag, moet ik grif toegeven) discussieerde ik online al met verschillende mensen over die stelling, een discussie die zowat beslecht lijkt met deze prima blogpost van Thomas Smolders.

“Lijkt”, want hoewel ik het grotendeels met Thomas eens ben over de eventuele slaagkansen van zo’n onderneming (spoiler: eerder aan de lage kant), vind ik niet dat de vraag van Joël daarmee beantwoord is.

Lees maar eens hoe de VRT zijn openbare opdracht omschrijft:

Als openbare omroeporganisatie heeft de VRT de opdracht een zo groot mogelijk aantal mediagebruikers te bereiken met een diversiteit aan hoogkwalitatieve programma’s die de belangstelling van de mediagebruikers wekken en eraan voldoen.
(…)

Het programma-aanbod wordt op een aangepaste manier gericht op bepaalde bevolkings- en leeftijdsgroepen, meer in het bijzonder op de kinderen en de jeugd.
(…)

Kort samengevat: de VRT moet ook de jongeren bereiken en zich daarvoor aan de wensen van die doelgroep aanpassen. Uit verschillende studies blijkt echter dat jongeren steeds vaker tv-programma’s kijken op andere toestellen dan een tv-toestel. Een gevolg daarvan is dat zenders, zoals de VRT, stilaan hun greep op de kijker verliezen – aan Youtube, Netflix, torrentsites, enzovoort. Voor een openbare zender betekent dat simpelweg dat ze hun opdracht niet helemaal naar behoren kunnen uitvoeren.

Daar moeten ze dus iets aan doen. Alles online ter beschikking stellen gaat niet volstaan om dit probleem op te lossen. Het is niet omdat al je programma’s beschikbaar zijn dat iedereen er meteen ook naar begint te kijken. Er is promotie nodig; je moet ze er naartoe lokken.

Kan dat via een apart sociaal netwerk? De kans lijkt me klein, maar toch de moeite waard om te bestuderen. Voor kleine kinderen doet de VRT dat al – met succes, zoals Maarten Janssen, de netmanager van Ketnet, onderaan het opiniestuk van Joël terecht meldt. Maar in die leeftijdscategorie heeft de VRT uiteraard niet te vrezen van de concurrentie van Amerikaanse, in VC-kapitaal zwelgende en privacykwesties lustig negerende sociale netwerken (want kindjes hebben geen kredietkaartjes en kunnen dus niet shoppen-shoppen-shoppen, waardoor ze commercieel zowat even interessant zijn als een Grieks beleggingsfonds).

Is dat haalbaar voor een iets oudere doelgroep – pakweg twaalf- tot zestienjarigen? Met exclusieve content – excuseer: fragmenten – uit de tv-programma’s waar deze doelgroep graag naar kijkt? Waar je je dichtbij populaire presentatoren en acteurs waant (en ander schoon volk waar ze fan van zijn)? Waar je kunt meedoen aan wedstrijden die de leeftijdsgroep op het lijf geschreven is? Met chatsessies, nieuwtjes, spelletjes en dies meer?

Zowat alle (vaak zelfverklaarde) experts zijn het erover eens dat zoiets zinloos, hopeloos en wereldvreemd is. Wat ik van die mensen dan wel eens zou willen horen: wat zou er dan wel een goede oplossing zijn? Of vinden we dat eigenlijk geen probleem, dat de openbare omroep onze jongeren dreigt kwijt te spelen (ondanks de kei-coole initiatieven van VRT-startup)? Of vinden we heel die openbare omroep toch maar overbodig?

Zeg het maar, hé.

Dood is soms zo slecht nog niet

Tags

, , , ,

1 november: de obligate uitstap naar het kerkhof. De chrysanten, de bidons met water, het gezeul met borstels, harkjes en schopjes. Maar ook: het sporadisch scheefgezakte graf waar al jaren niemand meer naar kijkt, de talloze grafstenen waar de datums véél te dicht bij elkaar staan (1984-2001, 1990-2004, …), de snikkende mensen bij die de pijn van het achterblijven nog volop brandt, de radeloze blikken van degenen die al véél te vaak de uitstap naar het kerkhof hebben gemaakt…

Maar het ergst vond ik een breed graf met rechts de naam van een jonge vrouw en daarnaast een plaatje met een meisjesnaam, zonder datum. Een verhaal dat niet wordt verteld, en daarom zo verdrietig maakt.

En uiteraard: het graf van je eigen vader, al dertig jaar de grootste afwezige in je leven.

2014-11-01 14.56.36

En dan naar het rusthuis, waar de tante waarbij je bent opgegroeid (lang verhaal…) steeds verder verdwaalt in de ruïnes van haar ooit zo ijzersterke geest. Maar soms, heel plots, als op een open plek in een bos bij volle maan, beseft dat ze nooit de uitgang nog zal vinden. Dat ze nooit nog thuis zal komen. Een onverdraaglijk besef, een overweldigende pijn. Ze heeft weer gehuild, zegt ze.

En dan denk je: de dood, het is verdomme soms zo slecht nog niet.

 

Journalistiek in de knoop

Tags

, , , , , , , ,

knoop

Deze blogpost verscheen eerder al op de website van Gent M.

De felste kritiek op het medium krant komt niet van mensen die kranten haten. Integendeel: in het fameuze manifest van Ernst-Jan Pfauth, de uitgever van De Correspondent, lees ik ook veel liefde voor dit medium. Maar ook: bezorgdheid – véél bezorgdheid – om het voortbestaan ervan. Het moet anders, zoveel is duidelijk. Om in de toekomst nog een rol van betekenis te blijven spelen, moeten er in de traditionele journalistiek harde keuzes worden gemaakt, wat naar mijn gevoel de laatste jaren te weinig werd gedaan. Ik som hier een aantal dilemma’s op, knopen die al een hele tijd wachten om te worden doorgehakt.

1. Personalisering of niet?

Velen, ook Pfauth, verwijten de traditionele krant dat er massa’s artikels in staan die jou als lezer niet interesseren. De ene vindt sport heel interessant, de andere wil weten wat er zoal gebeurt op economisch vlak. Maar alle lezers krijgen hetzelfde pakket in de maag gesplitst. Velen onder ons zouden het appreciëren als ze hun krant konden personaliseren, een krant op maat samenstellen. (Wat alleen digitaal kan, natuurlijk.) Tegenstanders vinden dan weer dat je daardoor als lezer veel mist wat je wél ontdekt door in een klassieke krant te bladeren.

2. Achter een paywall of niet?

Dan weer wel, dan weer niet: krantenuitgevers blinken niet bepaald uit in standvastigheid als het erop aan komt om geld te vragen voor het raadplegen van hun producten. De laatste tijd hebben paywalls duidelijk weer de wind in de zeilen. In Vlaanderen wordt zelfs gewerkt aan een soort toegangsticket waarmee je de publicaties van diverse uitgeverijen kunt opvragen. Maar schrikt zo’n financiële drempel geen nieuwe lezers af, is wat velen zich afvragen?

3. Op papier of digitaal?

Vlaamse krantenuitgevers blijven hardnekkig vasthouden aan hun papieren producten. “Compleet achterhaald”, beweren de voortrekkers van de digitale revolutie. “Economisch gezien het verstandigst”, luidt de verdediging. Voor advertenties in papieren publicaties krijg je nog altijd een veelvoud dan voor online reclame. Maar papieren publicaties kun je niet of nauwelijks personaliseren (zie hierboven), zijn veel duurder om te produceren en te verdelen, en ook niet zo milieuvriendelijk. Hoelang houdt papier nog stand? Place your bets…

4. De (spontane) inbreng van lezers publiceren of niet?

Pfauth is een groot voorstander van mengvormen, waarbij artikels van de redactie samengaan met de inbreng van lezers. In het lezerspubliek zitten vaak experts die zinnige aanvullingen kunnen geven op wat journalisten in hun artikels schrijven, luidt de achterliggende redenering. Een blik op de reacties onderaan de artikels op populaire krantensites zal bij de meesten onder ons het enthousiasme voor die vox pop snel temperen. Of valt daar een mouw aan te passen?

5. Multimediaal of niet?

Vroeger was het eenvoudig: voor een krant schreef je (als we even de fotografen en illustratoren buiten beschouwing laten, natuurlijk). Op papier zijn de mogelijkheden natuurlijk beperkt, maar als je dan toch digitaal produceert, kun je maar beter de mogelijkheden daarvan optimaal benutten, menen sommigen. Het resultaat: longreads die geïllustreerd worden met animaties, geluidsfragmenten, video’s, interactieve grafieken, enzovoort. Een krant zonder beeld of geluid: kan dat eigenlijk nog?

6. Voor een breed of een nichepubliek?

Vroeger moest je als tiener vaak wachten tot papa klaar was met de krant om ze te mogen lezen. (Het kruiswoordraadsel was doorgaans al half ingevuld, met overwegend verkeerde oplossingen, natuurlijk.) Ook nu nog mikken de meeste kranten en tijdschriften op een heel uiteenlopend lezerspubliek. Die spreidstand wordt echter steeds moeilijker.  Vooral jongeren haken in grote getale af. Moet je als publicatie blijven proberen om jonge lezers te winnen, of moet je op een gegeven moment zeggen: OK, als we alleen maar lezers van (minstens) middelbare leeftijd aantrekken, dan stemmen we daar onze inhoud ook op af.

7. Inspelen op de smaak van het (grote) publiek of koppig je buikgevoel volgen?

Het is alle hens aan dek: nu kranten en tijdschriften het zo moeilijk hebben, wordt volop hulp ingeschakeld om te zoeken naar methodes om te overleven. Die hulp komt van overal zo’n beetje: de eigen marketingafdeling, externe experts, lezerspanels, enzovoort. Vaak levert dat wel bruikbare adviezen op, maar tegelijk creëert die aanpak ook een probleem: iedereen doet stilaan hetzelfde. De eigenheid, vaak een verlengstuk van de persoonlijkheid van de hoofdredacteur, gaat verloren. Men durft steeds minder. Daardoor dreigt het gevaar op eenheidsworst, waardoor je ironisch genoeg meer lezers verliest dan je er wint door je product op de smaak van zoveel mogelijk mensen af te stemmen.

Heb ik nog knopen vergeten die moeten worden doorgehakt? Voeg ze dan gerust toe in de comments.

Een nobele taak

Tags

“Mis jij de journalistiek nooit?”, vraagt men mij wel eens. (Op evenementen als De Nacht van de Journalistiek zelfs een keer of drie.) Ik heb het opgegeven om daar een diplomatisch antwoord voor te verzinnen. Tegenwoordig zeg ik, geheel en al naar waarheid: “En nog geen beetje!”

Als ik terugdenk aan de jaren die ik als journalist heb gewerkt, blijk ik heel wat te zijn vergeten: de maagwentelingen veroorzakende deadlines, het povere loon, de vele avonden en zondagen die je werkend doorbrengt, de kantine waar de redacties van De Standaard en Het Nieuwsblad beetje bij beetje werden vergiftigd, … Wat ik wel onthouden heb, zijn de momenten waarop je beseft waarom je journalist geworden bent. De momenten waarop je letterlijk op de eerste rij zit bij belangrijke gebeurtenissen: de verkiezingen, 9/11, de turbulente passage van Tony Mary bij de VRT, de geboorte van digitale televisie, de lancering van de eerste iMac, de allereerste uitzending van het allereerste seizoen van Idool, de handdruk van Steve Ballmer na een persconferentie (drie weken later mocht het gips eraf), reportages op Rock Werchter en Pukkelpop, interviews met fenomenen als Mark Uytterhoeven en Nicholas Negroponte, een hallucinante trip met Kelly Pfaff door de Gentse Feesten, …

Journalisten zijn doorgaans geen doeners, maar uitstekende waarnemers. Goede journalisten zijn ook nog eens behept met voldoende analytisch vermogen en talenkennis om hun waarnemingen op een begrijpelijke wijze te delen, en wel op zo’n manier dat er bij de lezer inzicht ontstaat. Dat is in mijn ogen nog altijd de taak van de journalist – een nobele taak, bovendien. En een goede journalist, dat is wat ik minstens wilde zijn.

Geen wonder dat ik dat mis, tiens.

 

Worstelen met “the next step”

Tags

, , , ,

nextstep2

“Wat is voor jou the next step?” Opeens was die tweet daar, gericht aan alle vrijwilligers die dit jaar een handje toesteken bij Gent M. ‘n Lastige vraag, waarop volgens mij sommigen nog altijd niet hebben geantwoord. En dat zou dan het centrale thema worden van alle sessies dit jaar op Gent M? “Dat belooft”, dacht ik toen.

Afgelopen woensdag, na de sessie met Sofie Verhalle en Pieter Goiris, vroeg ik het een van de aanwezigen recht op de man (m/v) af: “Volgens mij ben jij aan een next step toe. Niet?” Het bleek te kloppen. Meer nog: ik heb de voorbije weken van verschillende mensen min of meer hetzelfde opgevangen. Misschien heb ik er een zesde zintuig voor ontwikkeld. Of is het projectie, omdat ik nog altijd worstel met de vraag wat voor mijzelf de next step is. Of hangt het gewoon in de lucht. Is het eigen aan deze tijd – een tijd van disruptie, het thema van de eerste sessie van deze jaargang? Een tijd van fundamentele twijfel, waarin alles in vraag wordt gesteld. Maybe we can. Een tijd waarin we soms de neiging hebben om allerlei zaken kapot te analyseren – ook dat is disruptie.

In elk geval: the next step is iets wat veel mensen bezighoudt, zeker in de Gent M-community (sorry voor die term, als je een betere hebt, mag je me die altijd opsturen). The next step kun je namelijk ook zien als: jezelf heruitvinden – de ultieme innovatie, de Heilige Graal voor het Gent M-publiek. Het onvermijdelijke resultaat van een eerlijke zelfbevraging: Waar sta ik? Wat heb ik al bereikt? Wat wil ik nog bereiken? Vaak worden we daartoe uitgedaagd door creatieve geesten en ondernemers (soms de combinatie van beide), die op Gent M-avonden, maar ook op andere evenementen of bijvoorbeeld via het Trendrapport van Wijs, hun ervaringen en hun wijsheid delen. Soms is die motivatie de schop in de kont die we nodig hadden. Maar op andere momenten heb ik het gevoel dat we onszelf opjutten, dat we onszelf wijsmaken (no pun intended) dat we méér in onze mars hebben. En dat we het er maar op moeten wagen, want falen is tegenwoordig even cool als slagen, nietwaar?

Zo eenvoudig is het echter allemaal niet. Want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Met die wetten valt het nogal mee (alhoewel…), maar die bezwaren, dat is andere koek. Als twintiger zonder zorgen of verplichtingen valt het best mee om drastische beslissingen te nemen. Maar dat is minder evident als je wat ouder bent, een huis moet afbetalen, kinderen de kost (en Nintendo-spelletjes) moet geven, een anciënniteit hebt opgebouwd, enzovoort. Dan is het niet moeilijk om redenen te bedenken waarom het beter lijkt om alles bij het oude te houden. Alleen is het nog maar de vraag of het wel je gezond verstand is dat je tegenhoudt om die next step te nemen, of… angst. Angst om te verliezen wat je hebt. Want vergis je niet: wie the next step neemt, betaalt daar een prijs voor. Je moet er iets – misschien wel veel – voor opgeven. Alleen: als je the next step niet neemt, betaal je daar ook dan ook geen prijs voor?

Ik denk dat we hier nog een hele tijd mee gaan blijven worstelen…

 

De negen levens van Humo

Tags

, , , ,

Jo Caudron op Gent M #21

Foto: Kris Goubert

Tweets en blogposts over “de dood van” doen het altijd goed. De dood, da’s drama – en mensen houden van drama. Niet verwonderlijk dat er afgelopen woensdag heel wat tweets de ronde deden over de uitspraak van Jo Caudron “dat Humo over vijf jaar dood zal zijn” op de eerste Gent M-sessie van dit jaar. Op zijn Facebook-pagina legt hij in nog meer detail uit waarom hij tot die conclusie komt. Interessant leesvoer!

Caudron weet waarover hij spreekt, onder andere omdat hij de voorbije jaren voor heel wat (media)bedrijven als consultant heeft gewerkt.  Maar toch ben ik het niet helemaal met hem eens. Ten eerste is zijn stelling grotendeels gebaseerd op het onevenwicht tussen de tijd die we aan bepaalde media besteden en de reclamebudgetten die eraan worden uitgegeven. Uit onderzoek blijkt dat gedrukte media verhoudingsgewijs te veel reclame-inkomsten binnenkrijgen, en volgens Caudron zal dat dus niet blijven duren. Ik vermoed dat er de komende jaren inderdaad steeds minder reclamebudgetten naar gedrukte media zullen gaan, maar niet in die mate dat er een aardverschuiving zal plaatsvinden. Toch niet binnen de vijf jaar. De reclamesector is namelijk vrij conservatief: men doet er graag wat men al heel lang doet. Volgens mij heeft dat te maken met het onduidelijke effect van reclame – als je niet weet wat de ene aanpak oplevert, welke argumenten heb je dan om voor een andere te kiezen? Maar dat is dan weer een nieuwe discussie…

Daarnaast is er ook het gevoelsmatige aspect van reclame: een advertentie in een tijdschrift heeft nu eenmaal meer uitstraling dan een online advertentie. Dus gaat men ervan uit dat ze meer teweegbrengt. (Nogmaals: zelf ben ik er niet van overtuigd dat die stelling klopt, maar dat is… je weet wel). Dat verklaart volgens mij ook de bijna even grote discrepantie tussen de tijd die we naar de radio luisteren en de reclame-inkomsten van dat medium – maar dan in omgekeerde zin. Aan radioreclame wordt verhoudingsgewijs veel minder geld uitgegeven. Omdat die pas echt te vluchtig is? (Of te slecht, maar dat is nog een andere discussie).

Een andere reden waarom ik denk – en van harte hoop – dat Caudrons voorspelling niet zal uitkomen, is dat veel van wat nu in de media en online aan de gang is, ook door niemand werd voorspeld. Wie had vijf jaar geleden gedacht dat sites als Buzzfeed zo veel bezoekers zouden krijgen? Wees eerlijk: niemand. Waren er in 2008 al concrete plannen voor Libelle TV? Ik betwijfel het. (Er waren toen, geloof ik, wel plannen voor Humo TV. Dat er niet gekomen is.) Deze sector is gewoon veel te wispelturig en te emotioneel beladen om er voorspellingen over te doen. Mediabedrijven zijn katten met negen levens. Daarom houden zo veel mensen ervan.

Ik hoop wél dat men bij Humo de analyse van Caudron niet zomaar van tafel veegt. Er moet iets gebeuren. Elk mediabedrijf moet een antwoord vinden op de trends die zijn voortbestaan bedreigen. En dat moet nu gebeuren, want straks zijn er helemaal geen middelen meer om te investeren in een oplossing, in een nieuwe weg, in die broodnodige transformatie. En dan komt Caudrons voorspelling toch nog uit – zij het met een paar jaar vertraging.

RIP (pdw)

Een stomp in de maag was het, deze tweet die deze namiddag plots opdook. Was dat waar? Of was het een macabere en vreselijk flauwe grap? Moeilijk te geloven van iemand die zich enkele weken geleden nog op de gebruikelijke wijze – geestig, dus – ergerde aan die shockspots van het BIVV. Even later kwam, alweer via Twitter, de bevestiging: Patrick De Witte is niet meer. This joke isn’t funny anymore…

Waarom heeft me dat zo aangegrepen, heb ik me de hele avond afgevraagd. Zo goed kende ik hem immers niet. (Als ik hoor hoe zijn goede vrienden over hem praten, dan vind ik dat overigens een spijtige zaak.) Ik heb hem verschillende keren gesproken toen ik nog voor De Standaard schreef, en er één keer zelfs een lang interview van afgenomen. Dat was op het einde van zo’n seizoensvoorstelling van Canvas, in het Amerikaans Theater. De Porseleinen Pony was toen het tv-programma waarmee hij ons wilde verblijden. Niet zijn beste werk, maar soit. Dat interview was wellicht ook niet mijn beste werk, want ik kan het met de beste wil van de wereld niet terugvinden op De Standaard Online. Dat er op het einde van zo’n persconferentie al eens een glas werd gedronken, is hier vast niet vreemd aan. Misschien probeerde ik Patrick wel bij te houden op dat vlak. Ik had toen wel vaker geweldige ideeën.

De laatste jaren had ik nauwelijks nog contact met Patrick, behalve af en toe via Twitter. Enkele weken liepen we elkaar nog eens tegen het lijf in de Delhaize in Ledeberg. Gezwind liep hij door de gangen van de winkel, op jacht naar ingrediënten voor everzwijn op Toscaanse wijze, als ik me niet vergis. Het zou me overigens ook niet verwonderen als hij daarna persoonlijk nog een everzwijn gaan vangen is. Hij was er de man niet naar om daar 200 vrienden voor lastig te vallen.

Een hechte persoonlijke band hadden we dus niet, maar toch ervaar ik zijn dood als een groot verlies. Is het omdat hij op bijna exact dezelfde leeftijd als mijn vader aan exact dezelfde doodsoorzaak (naar wat ik hoor) is overleden? Nee, want daar houdt de vergelijking al meteen op.

Waarom ga ik Patrick dan wel missen? Omdat hij mij zo vaak heeft doen lachen, uiteraard. Vroeger bij Humo (bekentenis: ik ben bij Computer Magazine ooit met een rubriek gestart die vollédig gepikt was van zijn rubriek ‘Zap’), later bij Deng en Mao, nog later met tv-programma’s als Kijk Eens Op De Doos, de laatste tijd vooral met zijn columns in De Morgen. En omdat hij met Comedy Casino een haast Nobelprijwaardige bijdrage heeft geleverd tot het ontstaan van een echte comedycultuur in Vlaanderen.

Ze was altijd scherp en zelden vrijblijvend, die humor van Patrick De Witte. Een en ander was vaak gericht tegen wat hem stoorde, tegen onrecht, tegen mensen die volgens hem de boel aan het verzieken waren (of zijn…), tegen leugens en bedrog. Het kon Patrick allemaal wél wat schelen, in tegenstelling tot vele andere komieken. En ook niet onbelangrijk: hij was echt onafhankelijk – iemand die zich voor niets of niemand inhield, zoals deze fenomenale open brief aan Wouter Vandenhaute zo mooi illustreerde.

Hij was met andere woorden geëngageerd – en toch geweldig grappig. Die heksentoer zie ik niet meteen iemand anders overdoen.

En daarom ga ik (pdw) dus missen.

Onderzoeksjournalistiek om twee uur ‘s nachts

Tags

, ,

Ik had het helemaal uitgevogeld: onderzoeksjournalistiek zou de (Belgische) media wel redden. Als nieuwsorganisaties daar maar genoeg in investeerden, zouden ze wel weerstaan de vloedgolf van social media-diensten die de relevantie van traditionele media steeds vaker in vraag stellen. Maar op basis van een debat dat ik vorige week bijwoonde, georganiseerd door de alternatieve nieuwssite Apache en het Fonds Pascal Decroos, ziet her er niet naar uit dat we in België binnenkort veel vaker sterke staaltjes van onderzoeksjournalistiek gaan zien.

Van debatteren is – zoals wel vaker op dit soort avonden – weinig in huis gekomen, maar het was wel interessant om enkele van de schaarse Belgische onderzoeksjournalisten (Jan Antonissen van Humo en Douglas De Coninck van De Morgen) én een Nederlandse collega (Eric Smit van Follow The Money) over dit onderwerp te horen vertellen.

Er zijn een aantal redenen waarom er in ons land bitter weinig aan onderzoeksjournalistiek wordt gedaan. (Onder andere omdat het zo’n lang woord is, denk ik.)

Ten eerste is deze vorm van journalistiek vaak erg duur. Je moet een of meerdere van je betere journalisten gedurende dagen, weken, soms zelfs maanden vrijstellen om aan één verhaal te werken. Waarvan je aan het begin overigens nog niet weet of het wel zal kunnen verschijnen. De schrik voor briesende, op de tenen getrapte bigshots en – erger nog – hun leger goed uitgeruste advocaten zit er duidelijk in. En intussen kan of kunnen die journalist(en) geen pagina’s vullen of online artikeltjes die voor de nodige pageviews moeten zorgen. Zolang de media te kampen hebben met dalende inkomsten, zal er dus niet meer budget worden vrijgemaakt voor onderzoeksjournalistiek.

Antonissen en De Coninck waren het erover eens dat er nog een tweede aspect van tel is: de relatie tussen journalist en hoofdredacteur. De Coninck wees erop dat momenteel bijna alle publicaties die de publieke opinie beïnvloeden – De Morgen, HUMO, Knack, zelfs de VRT-nieuwsdienst – momenteel een hoofdredacteur hebben die daar nog niet lang zit. Volgens Antonissen moeten redacteur en hoofdredacteur elkaar nochtans blindelings kunnen vertrouwen als het op risicovolle artikels aan komt. En dat vertrouwen komt er uiteraard pas met de jaren.

Tot slot is het blijkbaar geen prioriteit bij de jonge wolven die net een opleiding journalistiek hebben gevolgd. Zoals Smit het nogal gechargeerd stelde: “Studenten journalistiek zijn luie flikkers. Die willen alleen maar interviews doen, portretjes maken, en zo snel mogelijk hun eigen column.” Kuifjes die overal ter wereld ten strijde trekken tegen het onrecht zijn ze niet. (Anderzijds: heb jij Kuifje eigenlijk één artikel zien schrijven?) Onderzoeksjournalistiek vergt serieuze offers op persoonlijk vlak. Zoals Luc Pauwels, een van de auteurs van De Keizer Van Oostende en ook aanwezig op het debat, het stelde: “Wij moesten dit boek na de werkuren maken. Concreet betekende dat dat wij meestal om twee uur ’s nachts de koppen bij elkaar staken om te zien hoever we stonden.”

Dichter bij Kuifje kom je als journalist niet, denk ik.