Journalistiek in de knoop

Tags

, , , , , , , ,

knoop

Deze blogpost verscheen eerder al op de website van Gent M.

De felste kritiek op het medium krant komt niet van mensen die kranten haten. Integendeel: in het fameuze manifest van Ernst-Jan Pfauth, de uitgever van De Correspondent, lees ik ook veel liefde voor dit medium. Maar ook: bezorgdheid – véél bezorgdheid – om het voortbestaan ervan. Het moet anders, zoveel is duidelijk. Om in de toekomst nog een rol van betekenis te blijven spelen, moeten er in de traditionele journalistiek harde keuzes worden gemaakt, wat naar mijn gevoel de laatste jaren te weinig werd gedaan. Ik som hier een aantal dilemma’s op, knopen die al een hele tijd wachten om te worden doorgehakt.

1. Personalisering of niet?

Velen, ook Pfauth, verwijten de traditionele krant dat er massa’s artikels in staan die jou als lezer niet interesseren. De ene vindt sport heel interessant, de andere wil weten wat er zoal gebeurt op economisch vlak. Maar alle lezers krijgen hetzelfde pakket in de maag gesplitst. Velen onder ons zouden het appreciëren als ze hun krant konden personaliseren, een krant op maat samenstellen. (Wat alleen digitaal kan, natuurlijk.) Tegenstanders vinden dan weer dat je daardoor als lezer veel mist wat je wél ontdekt door in een klassieke krant te bladeren.

2. Achter een paywall of niet?

Dan weer wel, dan weer niet: krantenuitgevers blinken niet bepaald uit in standvastigheid als het erop aan komt om geld te vragen voor het raadplegen van hun producten. De laatste tijd hebben paywalls duidelijk weer de wind in de zeilen. In Vlaanderen wordt zelfs gewerkt aan een soort toegangsticket waarmee je de publicaties van diverse uitgeverijen kunt opvragen. Maar schrikt zo’n financiële drempel geen nieuwe lezers af, is wat velen zich afvragen?

3. Op papier of digitaal?

Vlaamse krantenuitgevers blijven hardnekkig vasthouden aan hun papieren producten. “Compleet achterhaald”, beweren de voortrekkers van de digitale revolutie. “Economisch gezien het verstandigst”, luidt de verdediging. Voor advertenties in papieren publicaties krijg je nog altijd een veelvoud dan voor online reclame. Maar papieren publicaties kun je niet of nauwelijks personaliseren (zie hierboven), zijn veel duurder om te produceren en te verdelen, en ook niet zo milieuvriendelijk. Hoelang houdt papier nog stand? Place your bets…

4. De (spontane) inbreng van lezers publiceren of niet?

Pfauth is een groot voorstander van mengvormen, waarbij artikels van de redactie samengaan met de inbreng van lezers. In het lezerspubliek zitten vaak experts die zinnige aanvullingen kunnen geven op wat journalisten in hun artikels schrijven, luidt de achterliggende redenering. Een blik op de reacties onderaan de artikels op populaire krantensites zal bij de meesten onder ons het enthousiasme voor die vox pop snel temperen. Of valt daar een mouw aan te passen?

5. Multimediaal of niet?

Vroeger was het eenvoudig: voor een krant schreef je (als we even de fotografen en illustratoren buiten beschouwing laten, natuurlijk). Op papier zijn de mogelijkheden natuurlijk beperkt, maar als je dan toch digitaal produceert, kun je maar beter de mogelijkheden daarvan optimaal benutten, menen sommigen. Het resultaat: longreads die geïllustreerd worden met animaties, geluidsfragmenten, video’s, interactieve grafieken, enzovoort. Een krant zonder beeld of geluid: kan dat eigenlijk nog?

6. Voor een breed of een nichepubliek?

Vroeger moest je als tiener vaak wachten tot papa klaar was met de krant om ze te mogen lezen. (Het kruiswoordraadsel was doorgaans al half ingevuld, met overwegend verkeerde oplossingen, natuurlijk.) Ook nu nog mikken de meeste kranten en tijdschriften op een heel uiteenlopend lezerspubliek. Die spreidstand wordt echter steeds moeilijker.  Vooral jongeren haken in grote getale af. Moet je als publicatie blijven proberen om jonge lezers te winnen, of moet je op een gegeven moment zeggen: OK, als we alleen maar lezers van (minstens) middelbare leeftijd aantrekken, dan stemmen we daar onze inhoud ook op af.

7. Inspelen op de smaak van het (grote) publiek of koppig je buikgevoel volgen?

Het is alle hens aan dek: nu kranten en tijdschriften het zo moeilijk hebben, wordt volop hulp ingeschakeld om te zoeken naar methodes om te overleven. Die hulp komt van overal zo’n beetje: de eigen marketingafdeling, externe experts, lezerspanels, enzovoort. Vaak levert dat wel bruikbare adviezen op, maar tegelijk creëert die aanpak ook een probleem: iedereen doet stilaan hetzelfde. De eigenheid, vaak een verlengstuk van de persoonlijkheid van de hoofdredacteur, gaat verloren. Men durft steeds minder. Daardoor dreigt het gevaar op eenheidsworst, waardoor je ironisch genoeg meer lezers verliest dan je er wint door je product op de smaak van zoveel mogelijk mensen af te stemmen.

Heb ik nog knopen vergeten die moeten worden doorgehakt? Voeg ze dan gerust toe in de comments.

Een nobele taak

Tags

“Mis jij de journalistiek nooit?”, vraagt men mij wel eens. (Op evenementen als De Nacht van de Journalistiek zelfs een keer of drie.) Ik heb het opgegeven om daar een diplomatisch antwoord voor te verzinnen. Tegenwoordig zeg ik, geheel en al naar waarheid: “En nog geen beetje!”

Als ik terugdenk aan de jaren die ik als journalist heb gewerkt, blijk ik heel wat te zijn vergeten: de maagwentelingen veroorzakende deadlines, het povere loon, de vele avonden en zondagen die je werkend doorbrengt, de kantine waar de redacties van De Standaard en Het Nieuwsblad beetje bij beetje werden vergiftigd, … Wat ik wel onthouden heb, zijn de momenten waarop je beseft waarom je journalist geworden bent. De momenten waarop je letterlijk op de eerste rij zit bij belangrijke gebeurtenissen: de verkiezingen, 9/11, de turbulente passage van Tony Mary bij de VRT, de geboorte van digitale televisie, de lancering van de eerste iMac, de allereerste uitzending van het allereerste seizoen van Idool, de handdruk van Steve Ballmer na een persconferentie (drie weken later mocht het gips eraf), reportages op Rock Werchter en Pukkelpop, interviews met fenomenen als Mark Uytterhoeven en Nicholas Negroponte, een hallucinante trip met Kelly Pfaff door de Gentse Feesten, …

Journalisten zijn doorgaans geen doeners, maar uitstekende waarnemers. Goede journalisten zijn ook nog eens behept met voldoende analytisch vermogen en talenkennis om hun waarnemingen op een begrijpelijke wijze te delen, en wel op zo’n manier dat er bij de lezer inzicht ontstaat. Dat is in mijn ogen nog altijd de taak van de journalist – een nobele taak, bovendien. En een goede journalist, dat is wat ik minstens wilde zijn.

Geen wonder dat ik dat mis, tiens.

 

Worstelen met “the next step”

Tags

, , , ,

nextstep2

“Wat is voor jou the next step?” Opeens was die tweet daar, gericht aan alle vrijwilligers die dit jaar een handje toesteken bij Gent M. ‘n Lastige vraag, waarop volgens mij sommigen nog altijd niet hebben geantwoord. En dat zou dan het centrale thema worden van alle sessies dit jaar op Gent M? “Dat belooft”, dacht ik toen.

Afgelopen woensdag, na de sessie met Sofie Verhalle en Pieter Goiris, vroeg ik het een van de aanwezigen recht op de man (m/v) af: “Volgens mij ben jij aan een next step toe. Niet?” Het bleek te kloppen. Meer nog: ik heb de voorbije weken van verschillende mensen min of meer hetzelfde opgevangen. Misschien heb ik er een zesde zintuig voor ontwikkeld. Of is het projectie, omdat ik nog altijd worstel met de vraag wat voor mijzelf de next step is. Of hangt het gewoon in de lucht. Is het eigen aan deze tijd – een tijd van disruptie, het thema van de eerste sessie van deze jaargang? Een tijd van fundamentele twijfel, waarin alles in vraag wordt gesteld. Maybe we can. Een tijd waarin we soms de neiging hebben om allerlei zaken kapot te analyseren – ook dat is disruptie.

In elk geval: the next step is iets wat veel mensen bezighoudt, zeker in de Gent M-community (sorry voor die term, als je een betere hebt, mag je me die altijd opsturen). The next step kun je namelijk ook zien als: jezelf heruitvinden – de ultieme innovatie, de Heilige Graal voor het Gent M-publiek. Het onvermijdelijke resultaat van een eerlijke zelfbevraging: Waar sta ik? Wat heb ik al bereikt? Wat wil ik nog bereiken? Vaak worden we daartoe uitgedaagd door creatieve geesten en ondernemers (soms de combinatie van beide), die op Gent M-avonden, maar ook op andere evenementen of bijvoorbeeld via het Trendrapport van Wijs, hun ervaringen en hun wijsheid delen. Soms is die motivatie de schop in de kont die we nodig hadden. Maar op andere momenten heb ik het gevoel dat we onszelf opjutten, dat we onszelf wijsmaken (no pun intended) dat we méér in onze mars hebben. En dat we het er maar op moeten wagen, want falen is tegenwoordig even cool als slagen, nietwaar?

Zo eenvoudig is het echter allemaal niet. Want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Met die wetten valt het nogal mee (alhoewel…), maar die bezwaren, dat is andere koek. Als twintiger zonder zorgen of verplichtingen valt het best mee om drastische beslissingen te nemen. Maar dat is minder evident als je wat ouder bent, een huis moet afbetalen, kinderen de kost (en Nintendo-spelletjes) moet geven, een anciënniteit hebt opgebouwd, enzovoort. Dan is het niet moeilijk om redenen te bedenken waarom het beter lijkt om alles bij het oude te houden. Alleen is het nog maar de vraag of het wel je gezond verstand is dat je tegenhoudt om die next step te nemen, of… angst. Angst om te verliezen wat je hebt. Want vergis je niet: wie the next step neemt, betaalt daar een prijs voor. Je moet er iets – misschien wel veel – voor opgeven. Alleen: als je the next step niet neemt, betaal je daar ook dan ook geen prijs voor?

Ik denk dat we hier nog een hele tijd mee gaan blijven worstelen…

 

De negen levens van Humo

Tags

, , , ,

Jo Caudron op Gent M #21

Foto: Kris Goubert

Tweets en blogposts over “de dood van” doen het altijd goed. De dood, da’s drama – en mensen houden van drama. Niet verwonderlijk dat er afgelopen woensdag heel wat tweets de ronde deden over de uitspraak van Jo Caudron “dat Humo over vijf jaar dood zal zijn” op de eerste Gent M-sessie van dit jaar. Op zijn Facebook-pagina legt hij in nog meer detail uit waarom hij tot die conclusie komt. Interessant leesvoer!

Caudron weet waarover hij spreekt, onder andere omdat hij de voorbije jaren voor heel wat (media)bedrijven als consultant heeft gewerkt.  Maar toch ben ik het niet helemaal met hem eens. Ten eerste is zijn stelling grotendeels gebaseerd op het onevenwicht tussen de tijd die we aan bepaalde media besteden en de reclamebudgetten die eraan worden uitgegeven. Uit onderzoek blijkt dat gedrukte media verhoudingsgewijs te veel reclame-inkomsten binnenkrijgen, en volgens Caudron zal dat dus niet blijven duren. Ik vermoed dat er de komende jaren inderdaad steeds minder reclamebudgetten naar gedrukte media zullen gaan, maar niet in die mate dat er een aardverschuiving zal plaatsvinden. Toch niet binnen de vijf jaar. De reclamesector is namelijk vrij conservatief: men doet er graag wat men al heel lang doet. Volgens mij heeft dat te maken met het onduidelijke effect van reclame – als je niet weet wat de ene aanpak oplevert, welke argumenten heb je dan om voor een andere te kiezen? Maar dat is dan weer een nieuwe discussie…

Daarnaast is er ook het gevoelsmatige aspect van reclame: een advertentie in een tijdschrift heeft nu eenmaal meer uitstraling dan een online advertentie. Dus gaat men ervan uit dat ze meer teweegbrengt. (Nogmaals: zelf ben ik er niet van overtuigd dat die stelling klopt, maar dat is… je weet wel). Dat verklaart volgens mij ook de bijna even grote discrepantie tussen de tijd die we naar de radio luisteren en de reclame-inkomsten van dat medium – maar dan in omgekeerde zin. Aan radioreclame wordt verhoudingsgewijs veel minder geld uitgegeven. Omdat die pas echt te vluchtig is? (Of te slecht, maar dat is nog een andere discussie).

Een andere reden waarom ik denk – en van harte hoop – dat Caudrons voorspelling niet zal uitkomen, is dat veel van wat nu in de media en online aan de gang is, ook door niemand werd voorspeld. Wie had vijf jaar geleden gedacht dat sites als Buzzfeed zo veel bezoekers zouden krijgen? Wees eerlijk: niemand. Waren er in 2008 al concrete plannen voor Libelle TV? Ik betwijfel het. (Er waren toen, geloof ik, wel plannen voor Humo TV. Dat er niet gekomen is.) Deze sector is gewoon veel te wispelturig en te emotioneel beladen om er voorspellingen over te doen. Mediabedrijven zijn katten met negen levens. Daarom houden zo veel mensen ervan.

Ik hoop wél dat men bij Humo de analyse van Caudron niet zomaar van tafel veegt. Er moet iets gebeuren. Elk mediabedrijf moet een antwoord vinden op de trends die zijn voortbestaan bedreigen. En dat moet nu gebeuren, want straks zijn er helemaal geen middelen meer om te investeren in een oplossing, in een nieuwe weg, in die broodnodige transformatie. En dan komt Caudrons voorspelling toch nog uit – zij het met een paar jaar vertraging.

RIP (pdw)

Een stomp in de maag was het, deze tweet die deze namiddag plots opdook. Was dat waar? Of was het een macabere en vreselijk flauwe grap? Moeilijk te geloven van iemand die zich enkele weken geleden nog op de gebruikelijke wijze – geestig, dus – ergerde aan die shockspots van het BIVV. Even later kwam, alweer via Twitter, de bevestiging: Patrick De Witte is niet meer. This joke isn’t funny anymore…

Waarom heeft me dat zo aangegrepen, heb ik me de hele avond afgevraagd. Zo goed kende ik hem immers niet. (Als ik hoor hoe zijn goede vrienden over hem praten, dan vind ik dat overigens een spijtige zaak.) Ik heb hem verschillende keren gesproken toen ik nog voor De Standaard schreef, en er één keer zelfs een lang interview van afgenomen. Dat was op het einde van zo’n seizoensvoorstelling van Canvas, in het Amerikaans Theater. De Porseleinen Pony was toen het tv-programma waarmee hij ons wilde verblijden. Niet zijn beste werk, maar soit. Dat interview was wellicht ook niet mijn beste werk, want ik kan het met de beste wil van de wereld niet terugvinden op De Standaard Online. Dat er op het einde van zo’n persconferentie al eens een glas werd gedronken, is hier vast niet vreemd aan. Misschien probeerde ik Patrick wel bij te houden op dat vlak. Ik had toen wel vaker geweldige ideeën.

De laatste jaren had ik nauwelijks nog contact met Patrick, behalve af en toe via Twitter. Enkele weken liepen we elkaar nog eens tegen het lijf in de Delhaize in Ledeberg. Gezwind liep hij door de gangen van de winkel, op jacht naar ingrediënten voor everzwijn op Toscaanse wijze, als ik me niet vergis. Het zou me overigens ook niet verwonderen als hij daarna persoonlijk nog een everzwijn gaan vangen is. Hij was er de man niet naar om daar 200 vrienden voor lastig te vallen.

Een hechte persoonlijke band hadden we dus niet, maar toch ervaar ik zijn dood als een groot verlies. Is het omdat hij op bijna exact dezelfde leeftijd als mijn vader aan exact dezelfde doodsoorzaak (naar wat ik hoor) is overleden? Nee, want daar houdt de vergelijking al meteen op.

Waarom ga ik Patrick dan wel missen? Omdat hij mij zo vaak heeft doen lachen, uiteraard. Vroeger bij Humo (bekentenis: ik ben bij Computer Magazine ooit met een rubriek gestart die vollédig gepikt was van zijn rubriek ‘Zap’), later bij Deng en Mao, nog later met tv-programma’s als Kijk Eens Op De Doos, de laatste tijd vooral met zijn columns in De Morgen. En omdat hij met Comedy Casino een haast Nobelprijwaardige bijdrage heeft geleverd tot het ontstaan van een echte comedycultuur in Vlaanderen.

Ze was altijd scherp en zelden vrijblijvend, die humor van Patrick De Witte. Een en ander was vaak gericht tegen wat hem stoorde, tegen onrecht, tegen mensen die volgens hem de boel aan het verzieken waren (of zijn…), tegen leugens en bedrog. Het kon Patrick allemaal wél wat schelen, in tegenstelling tot vele andere komieken. En ook niet onbelangrijk: hij was echt onafhankelijk – iemand die zich voor niets of niemand inhield, zoals deze fenomenale open brief aan Wouter Vandenhaute zo mooi illustreerde.

Hij was met andere woorden geëngageerd – en toch geweldig grappig. Die heksentoer zie ik niet meteen iemand anders overdoen.

En daarom ga ik (pdw) dus missen.

Onderzoeksjournalistiek om twee uur ‘s nachts

Tags

, ,

Ik had het helemaal uitgevogeld: onderzoeksjournalistiek zou de (Belgische) media wel redden. Als nieuwsorganisaties daar maar genoeg in investeerden, zouden ze wel weerstaan de vloedgolf van social media-diensten die de relevantie van traditionele media steeds vaker in vraag stellen. Maar op basis van een debat dat ik vorige week bijwoonde, georganiseerd door de alternatieve nieuwssite Apache en het Fonds Pascal Decroos, ziet her er niet naar uit dat we in België binnenkort veel vaker sterke staaltjes van onderzoeksjournalistiek gaan zien.

Van debatteren is – zoals wel vaker op dit soort avonden – weinig in huis gekomen, maar het was wel interessant om enkele van de schaarse Belgische onderzoeksjournalisten (Jan Antonissen van Humo en Douglas De Coninck van De Morgen) én een Nederlandse collega (Eric Smit van Follow The Money) over dit onderwerp te horen vertellen.

Er zijn een aantal redenen waarom er in ons land bitter weinig aan onderzoeksjournalistiek wordt gedaan. (Onder andere omdat het zo’n lang woord is, denk ik.)

Ten eerste is deze vorm van journalistiek vaak erg duur. Je moet een of meerdere van je betere journalisten gedurende dagen, weken, soms zelfs maanden vrijstellen om aan één verhaal te werken. Waarvan je aan het begin overigens nog niet weet of het wel zal kunnen verschijnen. De schrik voor briesende, op de tenen getrapte bigshots en – erger nog – hun leger goed uitgeruste advocaten zit er duidelijk in. En intussen kan of kunnen die journalist(en) geen pagina’s vullen of online artikeltjes die voor de nodige pageviews moeten zorgen. Zolang de media te kampen hebben met dalende inkomsten, zal er dus niet meer budget worden vrijgemaakt voor onderzoeksjournalistiek.

Antonissen en De Coninck waren het erover eens dat er nog een tweede aspect van tel is: de relatie tussen journalist en hoofdredacteur. De Coninck wees erop dat momenteel bijna alle publicaties die de publieke opinie beïnvloeden – De Morgen, HUMO, Knack, zelfs de VRT-nieuwsdienst – momenteel een hoofdredacteur hebben die daar nog niet lang zit. Volgens Antonissen moeten redacteur en hoofdredacteur elkaar nochtans blindelings kunnen vertrouwen als het op risicovolle artikels aan komt. En dat vertrouwen komt er uiteraard pas met de jaren.

Tot slot is het blijkbaar geen prioriteit bij de jonge wolven die net een opleiding journalistiek hebben gevolgd. Zoals Smit het nogal gechargeerd stelde: “Studenten journalistiek zijn luie flikkers. Die willen alleen maar interviews doen, portretjes maken, en zo snel mogelijk hun eigen column.” Kuifjes die overal ter wereld ten strijde trekken tegen het onrecht zijn ze niet. (Anderzijds: heb jij Kuifje eigenlijk één artikel zien schrijven?) Onderzoeksjournalistiek vergt serieuze offers op persoonlijk vlak. Zoals Luc Pauwels, een van de auteurs van De Keizer Van Oostende en ook aanwezig op het debat, het stelde: “Wij moesten dit boek na de werkuren maken. Concreet betekende dat dat wij meestal om twee uur ’s nachts de koppen bij elkaar staken om te zien hoever we stonden.”

Dichter bij Kuifje kom je als journalist niet, denk ik.

Schiet niet op de journalist

ming

 

Er is de voorbije dagen, in de nasleep van het busongeluk in Sierre, zo hard gezanikt over “de journalisten”, “de pers” en “de media” dat het me de strot uitkomt. Ook vlak na het Pukkelpopdrama kreeg ik er al de kriebels van. Het moet maar eens afgelopen zijn, vind ik. Nu de mediastorm rond dit ongeluk is gaan liggen, is het moment misschien gekomen om hier eens rustig over na te denken en te discussiëren.

 

 

Eerst een kleine denkoefening. Beantwoord voor je zelf eens deze vragen voor je verder leest:
1) Heb jij vandaag je werk 100% perfect uitgevoerd? Meer nog: leg je elke dag een foutloos parcours af?
2) Als je dan toch eens een steek laat vallen, hoeveel mensen zullen dat merken?
3) Hoeveel mensen zijn in staat, of menen in staat te zijn, om te oordelen of jij je werk goed doet of niet?

Ik weet niet hoe uw antwoorden luiden, maar in mijn geval is dat:
1) Neen, ik maak elke dag ergens wel een fout (ik ben geen robot of zo).
2) Misschien één of twee collega’s of klanten.
3) Meer dan me lief is, maar eigenlijk valt dat wel mee.

Als je deze vragen aan de gemiddelde journalist stelde, zou je totaal andere antwoorden krijgen. Zoiets als:
1) Zie hierboven, wij zijn ook maar mensen.
2) Gemakkelijk enkele tienduizenden.
3) Meer dan gezond voor is voor wie dan ook.

Niet meteen een positie om jaloers op te zijn, of wel? Wat laat ons wel wezen: iedereen maakt fouten, grote en kleine. Maar perslui mogen blijkbaar niet de minste fout maken of iedereen heeft het gezien en heeft er meteen een mening over. Iedereen kan het beter. Journalisten zijn loslopend wild. Schieten op de pers is een nationale sport. Als ik de gretigheid zie waarmee journalisten worden aangevallen voor vanalles en nog wat, dan denk ik: er is iets grondig fout met onze houding ten opzichte van de pers. Hopelijk kan het onderstaande helpen om dat foute beeld wat bij te stellen.

 
Vier dingen die u moet weten over de pers

Ten eerste: in een democratie moet de pers zoveel mogelijk vrijheid hebben (lees: alleen een strikt noodzakelijke reglementering). Anders kunnen journalisten hun werk niet doen: informatie verzamelen, blootleggen wat men verborgen wil houden, verbanden leggen die ons inzicht verschaffen in de wereld waarin we leven. De pers muilkorven is de deur openzetten naar machtsmisbruik, gesjoemel (nu ja: méér gesjoemel), bandeloosheid. Wil dat zeggen dat journalisten maar mogen doen wat ze willen? Natuurlijk niet. Maar: laat ons zuinig zijn met het reglementeren van de media.

Ten tweede: journalisten komen tegemoet aan een reële vraag. Er is iets misselijkmakend hypocriet aan het alomtegenwoordige gekanker over de overdreven media-aandacht voor het busongeluk enerzijds, en het feit dat tal van kranten en tv-uitzendingen de voorbije dagen enorm goed scoorden. Sorry, maar mij maak je niet wijs dat het land netjes verdeeld is in twee verschillende soorten mensen, in zuivere voor- en tegenstanders. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat heel wat mensen in het openbaar kritiek hebben op de werking van de pers, maar wel doodleuk al die extra nieuwsuitzendingen hebben meegepikt en voor het eerst in weken of maanden nog eens een krantenwinkel zijn binnengestapt. En weet je wat: je hoeft je daar heus niet voor te schamen (voor het consumeren van nieuws, bedoel ik, voor dat gehuichel moet je je natuurlijk wél schamen). Dat is een heel menselijke reactie: we willen weten wat er gebeurd is, we willen weten hoe mensen daarop reageren, we willen de verhalen horen achter deze tragedie. Waarom? Al sla je me dood, ik zou het niet weten. Ik ben geen expert in de menselijke psyche. Ik stel alleen vast.

Ten derde: journalisten zijn geen idioten. Meer nog (en dit zou wel eens hard kunnen aankomen): goede journalisten zijn een pak slimmer dan u en ik. Ze zijn beter geïnformeerd, zien sneller verbanden tussen verschillende gebeurtenissen en zijn meer dan wie ook vertrouwd met de technieken die soms worden gebruikt om ons wat op de mouw te spelden. Maar: zelfs de beste journalisten zijn geen perfecte journalisten. Ook zij kunnen fouten maken. Persoonlijk ben ik er bijvoorbeeld van overtuigd dat het publiceren van de foto’s van de slachtoffers van het busongeluk een foute beslissing was. Maar ik ben er even stellig van overtuigd dat dat een bewuste beslissing was, een beslissing die werd genomen nadat alle voor- en nadelen ervan overwogen zijn. Met kennis van zaken, met de ervaring die deze mensen hebben, en met respect voor de medemens. Die is ver te zoeken bij het soort journalisten die de getroffen scholen belegerden, familieleden van slachtoffers lastig vielen om zo snel mogelijk een (hopelijk zo emotioneel mogelijke) reactie te krijgen. Journalisten die deze getuigenis maar eens moeten lezen. Dat zijn in mijn ogen laakbare journalistieke praktijken. Het zou daarom geen kwaad kunnen als de media zelf werk zouden maken van duidelijke richtlijnen van wat kan of niet kan in deze materie.

Ten vierde: de media zijn – met uitzondering van de VRT (alhoewel…) – een commerciële activiteit. Ze werken in een markt waarin keiharde concurrentie speelt. Een markt die het bijzonder moeilijk heeft omdat we allemaal het nieuws veel liever gratis op het internet lezen dan ervoor te betalen in de krantenwinkel. Een markt waarin werkzekerheid exotischer is dan een eskimo in een mangoplantage. Waarin mensen al eens dingen tegen hun zin doen om hun job te houden. Omdat er thuis kinderen rondlopen die eten, nieuwe kleren, speelgoed en een goede opleiding nodig hebben. Dat bepaalt soms wat we te zien of te lezen krijgen in de media. Het zou niet mogen, maar het is zo (tot spijt van wie het benijdt…). Als jij weet hoe het kan worden opgelost, laat het dan zeker weten.

 
Omgaan met  fouten

Persoonlijk ben ik van mening dat er in de verslaggeving over het busongeluk fouten zijn gemaakt: feitelijke fouten, maar vooral inschattingsfouten en wellicht zelfs ethische fouten. Er zijn fouten gemaakt uit gebrek aan ervaring, als gevolg van tijdnood, van werkdruk en ongetwijfeld ook van commerciële druk. Tal van journalisten, hoofdredacteurs en uitgevers hebben de voorbije weken moeilijke keuzes moeten maken, keuzes waar zelfs de meest bekwame en ervaren mensen heel veel moeite hadden (zie ook wat iemand als Peter Vandermeersch in Nederland is overkomen door de berichtgeving over prins Friso in NRC). We moeten ons niet wijsmaken dat wij het allemaal beter, laat staan perfect hadden afgehandeld.

Natuurlijk zou het goed zijn als alle hoofdredacteurs de komende weken, nu de rust op de redactie is teruggekeerd (voor zover dat ooit het geval is, natuurlijk), eens goed nadenken over hun aanpak van dit verhaal, eens tijd maken voor een evaluatie. Ik ben er zelfs vrij zeker van dat dat zal gebeuren. Ik heb in het verleden, toen ik er nog zelf één was, maar al te vaak vastgesteld dat journalisten ook hun eigen werk met hun typische kritische blik bekijken.

Wil dat zeggen dat er in de toekomst geen fouten meer zullen worden gemaakt? Zolang kranten, tijdschriften, radio- en tv-reportages door mensen worden gemaakt, is de kans groot dat we deze discussie nog vaker gaan houden. Alleen hoop ik dat wat meer mensen datgene gaan opbrengen waar het volgens hen de voorbije dagen zo hard aan ontbrak in de berichtgeving: wat meer respect.

Ik kan het niet

Ik ben geen watje. Toen mijn duim eens moest worden gehecht, keek ik geïnteresseerd toe hoe de verpleger met naald en draad én mijn huid zat te knutselen. Gewéldig, vond ik dat. Op een KSA-kamp waar ik als leider rondliep, was er een jongen in geslaagd om een bijl in zijn eigen voorarm te planten. Ik heb daar toen rustig een doek rond gebonden en een chauffeur opgetrommeld om ‘m naar het ziekenhuis te brengen. Als ik op YouTube – of eerder een van de meer obscure videosites – filmpjes zie waarin wildvreemden in stukken blijken gereten na een vreselijk ongeval, dan doet me dat eerlijk gezegd niets.

Maar deze week was het anders. Via Twitter kwam ik op Youtube terecht op een fragment van CNN: de laatste reportage van de jammerlijk overleden journaliste Marie Colvin. Daarin deed ze verslag van de doodsstrijd van een jongetje van twee, dat tijdens de opnames bezweek aan de verwondingen dat het had opgelopen tijdens een aanval op de stad Homs in Syrië.

Dat het kind overleed in de loop van de reportage weet ik alleen omdat ik het ergens heb gelezen. Ik heb het filmpje namelijk niet tot het einde kunnen uitkijken. Ik kon het gewoon niet. En nog altijd niet. Toen ik de link ervan opzocht voor deze blogpost, nam ik voor om het nog eens te proberen. Maar het gaat echt niet.

Stervende kinderen, lijdende kinderen: iets erger bestaat er vast niet. Maar het doet ons doorgaans veel minder dan zou mogen. We zijn al veel gewoon. Afgestompt. Het wordt zo abstract. “Goh, wat erg,” zeggen we. En we doen verder waar we mee bezig zijn.

Ik was vroeger ongetwijfeld ook zo. Maar sinds ik zelf kinderen heb, is dat enorm veranderd. Ik haat het als dat gebeurt, maar als ik naar een film kijk – fictie, hé! – waarin kinderen iets ergs overkomt, dan krijg ik zowaar al tranen in de ogen. En beelden zoals die van CNN, de rauwe werkelijkheid dus, daar word ik soms fysiek onwel van. Nochtans: ik ben geen watje.

Ik ben gewoon weer wat bijgestompt.

Journalistiek in 2012

Bloggen, dat komt er haast niet meer van, maar een bijdrage voor het stilaan prestigieuze Trendrapport van Netlash, daar wou ik nog wel eens een paar uur voor aan de schrijftafel zitten. Het resultaat vind je hieronder, maar download zeker het rapport zelf – je zal er geen spijt van hebben!

Journalistiek in 2012: en plein public

Je zou het niet meteen verwachten, maar journalisten zijn nogal conservatief wat hun job betreft. Het overgrote deel van hen werkt nog altijd op nagenoeg dezelfde wijze als pakweg vijf jaar geleden. Dat heeft te maken met het maatschappelijk belang van hun vak en ook de hoge werkdruk zit er uiteraard voor iets tussen. Veel ruimte voor experimenten is er niet.
Ook in 2012 zal er in de journalistiek dus niet zo heel veel veranderen, zeker niet in België. Slechts een minderheid van de journalisten voelt zich geroepen om hun aanpak aan te passen aan de nieuwste technologische ontwikkelingen. Laten we eens kijken welke trends die pioniers hebben ingezet.

God ziet u! En wij ook.

Artikels en reportages worden nu soms gemaakt op plaatsen waar ze vroeger alleen werden gepubliceerd en becommentarieerd: op sociale netwerken als Facebook, LinkedIn en Twitter. Alsmaar vaker vinden daar conversaties plaats tussen journalisten en woordvoerders van bedrijven of organisaties die later verwerkt worden in artikels. Dat verloopt niet altijd even vlot: het gaat er soms ronduit chaotisch toe en leidt uitzonderlijk zelfs tot genante momenten. Zowel journalisten als woordvoerders moeten het duidelijk nog gewoon worden dat sommige van hun gesprekken “en plein public” plaatsvinden. En dat er niet alleen wordt meegeluisterd, maar af en toe ook wordt meegepraat.

Iedereen woordvoerder

Het zijn niet altijd meer de officiële, vooraf met de pr-verantwoordelijke afgesproken personen die met journalisten converseren. In social media ontstaan alsmaar vaker connecties of relaties tussen journalisten en andere werknemers van bedrijven. Vroeger gebeurde dat ook al – op bedrijfsevenementen, tijdens stakingen of zelfs op café – maar nu is het een stuk gemakkelijker geworden voor journalisten om zulke mensen te vinden, te volgen en te contacteren.
Op het eerste gezicht is dat een pr-nachtmerrie, maar er zijn ook goede kanten aan: wat die officieuze woordvoerders vertellen, wordt vaak authentieker – en dus interessanter – gevonden dan de officiële communicatie.

Gedaan met die vervelende deadlines?

In zijn onlangs verschenen boek “Media morgen” schrijft Jo Caudron dat er in de toekomst geen deadlines meer zullen zijn. Volgens hem moeten kranten en tijdschriften ook los van hun vaste verschijningsfrequentie (dag, week, maand, …) een constante stroom van content produceren. Dat is wat de huidige generatie mediagebruikers, opgegroeid met de timeline van Twitter en de newsfeed van Facebook, nu eenmaal verwachten.

Afgaande op mijn eigen ervaringen als journalist – en nu zullen een aantal ex-collega’s het ongetwijfeld op een monkelen zetten – zou die aanpak er volgens mij toe leiden dat er helemaal géén artikels meer verschijnen. Deadlines zijn nodig om verhalen gepubliceerd te krijgen. Maar met een beetje organisatie kunnen kranten of tijdschriften wel verschillende publiceermomenten voorzien, waardoor ze continu artikels de wereld insturen. Ik verwacht dat binnenkort publicaties zullen beginnen te experimenteren met dit model. Waarin dus ook nog deadlines bestaan. Sorry!

Een leger van medewerkers

Tal van journalisten hebben in de loop van hun carrière een aardige verzameling telefoonnummers vergaard van mensen die ze kunnen bellen voor nieuws of een woordje uitleg. Zo’n boekje aanleggen wordt helaas moeilijker en moeilijker. Actief zijn in social media is gelukkig een bruikbaar alternatief. Wie vaak en goed twittert, kan een mooi legertje volgelingen verzamelen, dat mettertijd ook een legertje medewerkers kan worden. Je kunt hun vragen of ze iets afweten van het onderwerp waarmee je bezig bent, of ze iets willen checken, enzovoort. Ik zie steeds vaker journalisten die daar een beroep op doen, zo te zien ook met resultaat.

Steeds meer BJ’s! (Bekende Journalisten)

Journalisten die via social media een netwerk, een publiek hebben opgebouwd, kunnen dat ook gebruiken als promotiemiddel: om reclame te maken voor het medium waaraan ze zijn verbonden, en zichzelf in één moeite door als expert te profileren. Andere journalisten – vaak van radio of televisie – zullen hen sneller vragen om iets te komen uitleggen, waardoor ze een groter of ander publiek bereiken. Vroeg je in 2009 aan iemand die niet in de media werkte om de namen van tien journalisten op te noemen, dan leverde dat steevast een lange “Euh…” op. Tegenwoordig is diezelfde opdracht voor heel wat mensen een koud kunstje: ze kennen de mensen in kwestie van Twitter. Sommige twitteraars zijn zwaar fan van bepaalde journalisten en laten dat ook blijken.

De keerzijde van de medaille: lezers die kritiek hebben op wat in de media verschijnt, kunnen hun bezwaren nu publiekelijk en oncontroleerbaar uiten. Journalisten zullen op termijn dus zorgvuldiger en voorzichtiger te werk moeten gaan, wat de kwaliteit van de journalistiek ten goede kan komen.

Check en dubbelcheck – maar intussen toch al publiceren

Nog in “Media Morgen” vertelt Jo Caudron over nieuwsberichten die hij op Twitter voorbij zag komen met de hashtag #unconfirmed. De journalist had iets opgevangen en terwijl hij een tweede bron zocht voor dat nieuwtje, gooide hij het alvast – onder voorbehoud, zeg maar – op Twitter. Later verscheen het bericht opnieuw met de hashtag #confirmed erbij, maar intussen had de journalist het nieuws wel al “geclaimd”.

Dit is lang geen schitterende oplossing. Bovendien kan deze tactiek gemakkelijk misbruikt kan worden om het eerste het beste aannemelijk klinkende gerucht te publiceren. Aan de andere kant: soms is er bij het lezerspubliek zo weinig begrip voor de werkwijze die journalisten moeten volgen voor ze een bericht kunnen brengen dat er misschien niets anders opzit. Ik kijk al uit naar het eerste bericht van een Belgische journalist met de hashtag #onbevestigd…

Waarom, waarom, waarom?

Als nieuws zich ergens als een lopend vuurtje verspreidt, dan is het wel op sociale netwerken. Toch blijven veel media hun klassieke rol als leverancier van nieuws onverstoorbaar verder spelen. Dat is heel begrijpelijk. Je kunt je als publicatie of zender vaak niet permitteren om iets niet te brengen. Wat hadden de kranten de dag na het Pukkelpopdrama anders op hun voorpagina moeten zetten?

Volgens sommige experts verwachten we van traditionele media alsmaar minder dat ze ons vertellen wat er gebeurd is, en alsmaar meer dat ze verklaren hoe het kunnen gebeuren is. Daardoor neemt de portie duiding in kranten overhand toe. Alleen: de lezer is daar niet altijd blij mee. Dat journalisten géén nieuws meer zouden brengen en dat allemaal maar overlaten aan Twitteraars en Facebookers is duidelijk een stap te ver. Daarom denk ik dat er de komende jaren meer zal worden gegraven, dat traditionele media steeds meer verhalen zullen brengen die niet vanzelf naar boven komen. Een optimistische verwachting, geef ik grif toe, misschien zelfs wat naïef, gezien de daling in echte onderzoeksjournalistiek van de voorbije jaren. Maar als uitgevers die daling naast de daling van hun verkoopcijfers leggen, zijn er hopelijk een paar die beseffen dat het misschien het moment is om het roer om te gooien. Laat het ons hopen.

Afscheid van fredegre (1994-2011)

Hij ging al heel lang mee, van in 1994 nota bene. Dat is 17 jaar, als ik nog zonder elektronische hulpmiddelen kan rekenen. Zelf heb ik er nooit enig probleem mee gehad, maar de rest van de wereld – op een paar uitzonderingen na – bracht hij blijkbaar in de war. Nu, de meesten onder hen waren vanzelf al een beetje in de war, maar je moet het niet erger maken dan het al is, natuurlijk. Daarom heb ik vorige week afscheid genomen van fredegre, mijn eerste Twitternaam.

Hola, zullen de exemplaren die enigszins bij de pinken zijn nu te berde brengen, klaar om een ‘#fail’ van jewelste te delen met de wereld (of toch dat klein stukje van de wereld dat hun tweets leest). Ik weet het: in 1994 was er nog geen Twitter. Daar ben ik pas vijf jaar geleden mee begonnen. Maar in 1994 was er wel al e-mail, en tikte ik mijn eerste e-mailadres op de kop: fredegre@knooppunt.be. Hoe ik in godsnaam op die “fredegre” ben gekomen, is me nog altijd een raadsel. Was “fdg” al bezet? Zou kunnen. Was dat te kort? Eveneens mogelijk. In die tijd was me nogal bedreven in het opstellen van regeltjes. Dat gold zelfs voor Knooppunt, een kleine, wat alternatieve internetprovider waarvan de bezielers dachten dat ze de wereld konden verbeteren met computers. Ik moest onlangs nog aan ze denken, toen protestanten in Tunesië en Egypte zich wapperend met laptops ontdeden van hun lokale dictator…

Soit, toen had ik nog helemaal geen last van “fredegre”, maar met Twitter begon dat te veranderen. Een aantal mensen waarmee ik enkel via dat kanaal contact had, begonnen me plots “Fred” te noemen. Daar valt – zoals de heren De Bruyne, De Burghgraeve en Flinstone kunnen beamen – nog mee te leven. Andere mensen schreven het voortdurend verkeerd – fedegre, frdegre, alle varianten passeerden de revue. Oké, ook dat liep zelden fataal af.

Maar toen kwamen de Twunches, waarbij het al eens voorviel dat je je niet alleen met je echte, maar ook met je Twitter-naam voorstelde. Toen begon de miserie pas echt. “Hoe, zeg je? Furrurruh?” was zowat de meest gebruikelijke reactie. Doctor Hfuhruhurr had nog een makkelijker naam dan de mijne…

Vorige week dinsdag liep de emmer over. Ik ging toen naar de eerste sessie van GentM, een reeks presentaties, debatten en evenementen (in de jaren zestig zouden we dat gewoon happenings hebben genoemd) rond digitale cultuur in Gent. Zowat iedereen die er rondliep zat op Twitter, en dus was het voortdurend van “Fred?”, “Ah, ik dacht dat je het als Freedeegree moest uitspreken.”, “Hier zie, de Fre!”, enzovoort, enzoverder. Werkelijk elke ontmoeting begon met zo’n onnozele discussie. “Nu is het genoeg,” besliste ik die avond. “Fredegre gaat eraan!”

En zo geschiedde. En wat lees je dan op Twitter als een van de eerste reacties? “Ik vond @Fredegre net zo leuk!” En wie wordt er geciteerd in een blogpost die onmiddellijk na het evenement verscheen? Juist, ja.

De basterd.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.