Archive for the ‘PR’ Category
Journalistiek in 2012
Bloggen, dat komt er haast niet meer van, maar een bijdrage voor het stilaan prestigieuze Trendrapport van Netlash, daar wou ik nog wel eens een paar uur voor aan de schrijftafel zitten. Het resultaat vind je hieronder, maar download zeker het rapport zelf – je zal er geen spijt van hebben!
Journalistiek in 2012: en plein public
Je zou het niet meteen verwachten, maar journalisten zijn nogal conservatief wat hun job betreft. Het overgrote deel van hen werkt nog altijd op nagenoeg dezelfde wijze als pakweg vijf jaar geleden. Dat heeft te maken met het maatschappelijk belang van hun vak en ook de hoge werkdruk zit er uiteraard voor iets tussen. Veel ruimte voor experimenten is er niet.
Ook in 2012 zal er in de journalistiek dus niet zo heel veel veranderen, zeker niet in België. Slechts een minderheid van de journalisten voelt zich geroepen om hun aanpak aan te passen aan de nieuwste technologische ontwikkelingen. Laten we eens kijken welke trends die pioniers hebben ingezet.
God ziet u! En wij ook.
Artikels en reportages worden nu soms gemaakt op plaatsen waar ze vroeger alleen werden gepubliceerd en becommentarieerd: op sociale netwerken als Facebook, LinkedIn en Twitter. Alsmaar vaker vinden daar conversaties plaats tussen journalisten en woordvoerders van bedrijven of organisaties die later verwerkt worden in artikels. Dat verloopt niet altijd even vlot: het gaat er soms ronduit chaotisch toe en leidt uitzonderlijk zelfs tot genante momenten. Zowel journalisten als woordvoerders moeten het duidelijk nog gewoon worden dat sommige van hun gesprekken “en plein public” plaatsvinden. En dat er niet alleen wordt meegeluisterd, maar af en toe ook wordt meegepraat.
Iedereen woordvoerder
Het zijn niet altijd meer de officiële, vooraf met de pr-verantwoordelijke afgesproken personen die met journalisten converseren. In social media ontstaan alsmaar vaker connecties of relaties tussen journalisten en andere werknemers van bedrijven. Vroeger gebeurde dat ook al – op bedrijfsevenementen, tijdens stakingen of zelfs op café – maar nu is het een stuk gemakkelijker geworden voor journalisten om zulke mensen te vinden, te volgen en te contacteren.
Op het eerste gezicht is dat een pr-nachtmerrie, maar er zijn ook goede kanten aan: wat die officieuze woordvoerders vertellen, wordt vaak authentieker – en dus interessanter – gevonden dan de officiële communicatie.
Gedaan met die vervelende deadlines?
In zijn onlangs verschenen boek “Media morgen” schrijft Jo Caudron dat er in de toekomst geen deadlines meer zullen zijn. Volgens hem moeten kranten en tijdschriften ook los van hun vaste verschijningsfrequentie (dag, week, maand, …) een constante stroom van content produceren. Dat is wat de huidige generatie mediagebruikers, opgegroeid met de timeline van Twitter en de newsfeed van Facebook, nu eenmaal verwachten.
Afgaande op mijn eigen ervaringen als journalist – en nu zullen een aantal ex-collega’s het ongetwijfeld op een monkelen zetten – zou die aanpak er volgens mij toe leiden dat er helemaal géén artikels meer verschijnen. Deadlines zijn nodig om verhalen gepubliceerd te krijgen. Maar met een beetje organisatie kunnen kranten of tijdschriften wel verschillende publiceermomenten voorzien, waardoor ze continu artikels de wereld insturen. Ik verwacht dat binnenkort publicaties zullen beginnen te experimenteren met dit model. Waarin dus ook nog deadlines bestaan. Sorry!
Een leger van medewerkers
Tal van journalisten hebben in de loop van hun carrière een aardige verzameling telefoonnummers vergaard van mensen die ze kunnen bellen voor nieuws of een woordje uitleg. Zo’n boekje aanleggen wordt helaas moeilijker en moeilijker. Actief zijn in social media is gelukkig een bruikbaar alternatief. Wie vaak en goed twittert, kan een mooi legertje volgelingen verzamelen, dat mettertijd ook een legertje medewerkers kan worden. Je kunt hun vragen of ze iets afweten van het onderwerp waarmee je bezig bent, of ze iets willen checken, enzovoort. Ik zie steeds vaker journalisten die daar een beroep op doen, zo te zien ook met resultaat.
Steeds meer BJ’s! (Bekende Journalisten)
Journalisten die via social media een netwerk, een publiek hebben opgebouwd, kunnen dat ook gebruiken als promotiemiddel: om reclame te maken voor het medium waaraan ze zijn verbonden, en zichzelf in één moeite door als expert te profileren. Andere journalisten – vaak van radio of televisie – zullen hen sneller vragen om iets te komen uitleggen, waardoor ze een groter of ander publiek bereiken. Vroeg je in 2009 aan iemand die niet in de media werkte om de namen van tien journalisten op te noemen, dan leverde dat steevast een lange “Euh…” op. Tegenwoordig is diezelfde opdracht voor heel wat mensen een koud kunstje: ze kennen de mensen in kwestie van Twitter. Sommige twitteraars zijn zwaar fan van bepaalde journalisten en laten dat ook blijken.
De keerzijde van de medaille: lezers die kritiek hebben op wat in de media verschijnt, kunnen hun bezwaren nu publiekelijk en oncontroleerbaar uiten. Journalisten zullen op termijn dus zorgvuldiger en voorzichtiger te werk moeten gaan, wat de kwaliteit van de journalistiek ten goede kan komen.
Check en dubbelcheck – maar intussen toch al publiceren
Nog in “Media Morgen” vertelt Jo Caudron over nieuwsberichten die hij op Twitter voorbij zag komen met de hashtag #unconfirmed. De journalist had iets opgevangen en terwijl hij een tweede bron zocht voor dat nieuwtje, gooide hij het alvast – onder voorbehoud, zeg maar – op Twitter. Later verscheen het bericht opnieuw met de hashtag #confirmed erbij, maar intussen had de journalist het nieuws wel al “geclaimd”.
Dit is lang geen schitterende oplossing. Bovendien kan deze tactiek gemakkelijk misbruikt kan worden om het eerste het beste aannemelijk klinkende gerucht te publiceren. Aan de andere kant: soms is er bij het lezerspubliek zo weinig begrip voor de werkwijze die journalisten moeten volgen voor ze een bericht kunnen brengen dat er misschien niets anders opzit. Ik kijk al uit naar het eerste bericht van een Belgische journalist met de hashtag #onbevestigd…
Waarom, waarom, waarom?
Als nieuws zich ergens als een lopend vuurtje verspreidt, dan is het wel op sociale netwerken. Toch blijven veel media hun klassieke rol als leverancier van nieuws onverstoorbaar verder spelen. Dat is heel begrijpelijk. Je kunt je als publicatie of zender vaak niet permitteren om iets niet te brengen. Wat hadden de kranten de dag na het Pukkelpopdrama anders op hun voorpagina moeten zetten?
Volgens sommige experts verwachten we van traditionele media alsmaar minder dat ze ons vertellen wat er gebeurd is, en alsmaar meer dat ze verklaren hoe het kunnen gebeuren is. Daardoor neemt de portie duiding in kranten overhand toe. Alleen: de lezer is daar niet altijd blij mee. Dat journalisten géén nieuws meer zouden brengen en dat allemaal maar overlaten aan Twitteraars en Facebookers is duidelijk een stap te ver. Daarom denk ik dat er de komende jaren meer zal worden gegraven, dat traditionele media steeds meer verhalen zullen brengen die niet vanzelf naar boven komen. Een optimistische verwachting, geef ik grif toe, misschien zelfs wat naïef, gezien de daling in echte onderzoeksjournalistiek van de voorbije jaren. Maar als uitgevers die daling naast de daling van hun verkoopcijfers leggen, zijn er hopelijk een paar die beseffen dat het misschien het moment is om het roer om te gooien. Laat het ons hopen.
Journalisten moeten op LinkedIn
Nu we toch bezig zijn. Journalisten moeten niet alleen bloggen en twitteren – of dat tenminste overwegen – maar zeker ook een LinkedIn-profiel aanmaken en onderhouden.
Ik verklaar me nader. Het is de laatste weken wat kalmer op kantoor. Nogal wat journalisten en contactpersonen bij onze klanten zijn met vakantie, en een aantal publicaties waar we veel mee te maken hebben verschijnen niet (zo vaak) in de zomer. Een ideaal moment dus om onze persdatabase nog eens grondig door te nemen en ervoor te zorgen dat alle gegevens up-to-date zijn. Daarbij proberen we geregeld een beroep te doen op LinkedIn, maar valt dat even tegen, jongens. Ik schat dat de helft van alle Belgische journalisten geen LinkedIn-profiel heeft, en dat heel wat van de bestaande profielen nauwelijks worden onderhouden. Journalisten die we vorige week nog aan de lijn hadden blijken volgens LinkedIn nog bij een publicatie te werken waar ze al twee of drie jaar weg zijn.
De voordelen van LinkedIn voor journalisten zijn nochtans overduidelijk. Het is een van de eenvoudigste manieren om een enorm netwerk op te bouwen. En zoals ze zeggen: in de journalistiek is het niet what you know, maar who you know wat telt. Zo’n netwerk kan geweldig helpen bij je research. Ben je bezig met een verhaal over firma X en wil de woordvoerder je niet helpen, dan vind je via LinkedIn binnen de kortste keren wel een aantal werknemers van die firma die in jouw netwerk of dat van een kennis zitten. LinkedIn biedt bovendien allerlei groepen waarvan je je lid kunt maken en waarin discussies worden gehouden die voor de leden van die groep relevant zijn. Toegegeven, het niveau van die discussies is niet altijd indrukwekkend, maar je kunt er gemakkelijk een vraag in kwijt die doorgaans wel wordt beantwoord door een paar mensen. En wil je een antwoord op een heel specifieke vraag, dan is LinkedIn vaak de meest efficiënte manier om een expert te vinden die je daarmee kan helpen. Laat de bezoekers van LinkedIn gerust ook weten waar je mee bezig bent. Het zou niet de eerste keer zijn dat je langs die weg plots een tip krijgt dat je onderzoek een heel eind vooruit helpt of een andere weg uitstuurt.
En zeker niet onbelangrijk: door je LinkedIn-profiel up-to-date te houden (m.a.w. door je huidige job te vermelden en beter nog: je specialisaties op te sommen) vermijd je dat PR-mensen je contacteren met onderwerpen waar je niets mee kunt aanvangen. Of toch een beetje… Uit eigen ervaring weet ik hoe vervelend het is als een PR-verantwoordelijke je belt of mailt met een voorstel dat in de verste verte niets te maken heeft met de zaken waar je gewoonlijk over schrijft. “Hallo, ik zie dat u de mediaspecialist bent van De Standaard, en daarom dacht ik dat u wel geïnteresseerd zou zijn in ons nieuw gamma cd-r’s en andere herschrijfbare media…” (Echt gebeurd!) Uit een onderzoek dat we de voorbije weken hebben gehouden – en waarvan we in de loop van de zomer de resultaten zullen bekendmaken – blijkt dat dit soort zaken nog altijd voor heel wat ergernis zorgt. Ik zeg niet dat LinkedIn het probleem helemaal gaat oplossen, maar het kan alleszins geen kwaad.
Volgende week: Journalisten moeten op Facebook!
PR for Dummies: te mijden
Bij nader inzien moet ik mijn oordeel over PR for Dummies bijstellen, vrees ik. Mijden, die handel. Een persbericht dat de auteur aanhaalt als een goed voorbeeld (uiteraard van zijn eigen hand), begint met:
Every year, over four thousand children are killed unnecessarily by guns. (…)
Fijn dat men in dat soort statistieken een onderscheid maakt tussen de kinderen die “onnodig” sterven en… tja, degene waarvan het wel de bedoeling is, of zo?
PR for dummies… and smarties
Op het gevaar af zo labiel als een bezopen steltloper over te komen, moet ik bekennen dat ik dit heen-en-weer geslinger tussen pers en PR eigenlijk wel leuk vind. En leerrijk, bovendien. Meer nog: mocht elke journalist ooit een tijdje in een PR-functie hebben gewerkt, en elke PR-verantwoordelijke ooit een tijdje op een redactie hebben gezeten, dan zou iedereen zijn werk veel beter doen. Rotsvast van overtuigd.
Wat niet wil zeggen dat het een vereiste of een garantie is. Toen ik een paar maanden geleden samen met een Ierse partner een opleiding ging geven in Spa, hebben we de avond ervoor gezellig zitten leuteren over PR, de pers, politiek en Bono (dat heb je met die Ieren, hé?). Onze conclusie: een ex-journalist is niet per definitie een goede PR-adviseur. Want niet iedereen is bewust met zijn vak bezig, niet iedereen ziet – vaak door tijdgebrek – de machinaties die kaderen in een grote PR-strategie. Anderzijds heb je heel wat communicatiespecialisten die nog geen bericht voor de gebroken-armen-en-benen-rubriek bij elkaar zouden kunnen pennen, maar wel verdomd goed weten wat werkt en wat niet werkt in PR.
Om niet louter vanuit mijn eigen – in mijn ogen veel te beperkte – praktijkervaring te puren, school ik me graag wat bij. Lectuur genoeg op kantoor. PR for Dummies staat er in de boekenkast. Waarin zowaar het advies prijkt: “Call up on every press release you send. Call, and call again, until you get result.” Yip, echt iets voor dummies. Ter verdediging van het boekwerk: het dateert van 2001, toen e-mail dus nog niet zo wijdverspreid was als nu (en er van LinkedIn, Facebook en godbetert Twitter dus nog geen sprake was). Persberichten moesten toen nog met de Post worden verstuurd, waarvan de betrouwbaarheid laat ons zeggen “interessant” was.
Veel betere lectuur, tenzij je voor een reclamebureau werkt tenminste, is The Fall of Advertising and the Rise of PR van Al & Laura Ries. Dit boek kun je in twee zinnen samenvatten: adverteren werkt niet meer, tenzij als kunstvorm of om bestaande ideeën te bestendigen. Om nieuwe ideeën te verspreiden of te creëren, moet je PR gebruiken. De rest van het boek bestaat uit honderden voorbeelden van die stelling, het ene al wat correcter als het andere. Allemaal heel cassant, maar daardoor uiteraard ook wat eenzijdig geformuleerd.

Als je op zoek bent naar heel correcte praktische informatie, is Making News van de ex-journalist David Henderson een aanrader. Wat ik er vooral van heb overgehouden, is vooral de bevestiging van een een aantal zaken :
Het belang van persoonlijke contacten met de journalisten die voor jouw bedrijf of klant relevant zijn is onmogelijk te overschatten. Journalisten die je persoonlijk kennen, gaan veel sneller luisteren naar wat je te zeggen hebt, zo simpel is het. Daarbij komen ook social media, zoals Facebook of Twitter van pas: die kunnen helpen om je relatie met journalisten te onderhouden of op te bouwen. Net zoals je vrienden of je toffe ex-collega’s met wie je zeker nog iets ging gaan drinken toen je afscheid van hen nam, komt het er veel te weinig van om hen in het echt tegen het lijf te lopen. (Noot aan al mijn ex-collega’s: dat ik met jullie op deze manier converseer, staat hier natuurlijk los van
).
Hou altijd een open, gemoedelijke vorm van communiceren aan – altijd. Zelfs de grootste bedrijven hebben de neiging om korzelig, terughoudend, zelfs vijandig te reageren als ze worden bekritiseerd – wadda mistaaike to maaike! Hoe groot of sterk of succesvol je ook beweert te zijn, door zo te reageren, word je als zwak of klein gezien.
Het belang van eye candy: een goede foto (maar dan ook een écht goede foto) kan heel mooie coverage opleveren. Iedereen weet het, maar we vergeten het voortdurend. Volgens Henderson is dit “vooral interessant als het onderwerp moeilijk te verwoorden is of op zich niet zo aantrekkelijk is voor de journalist”. Ideaal voor de IT-sector, dus…
Een mooie tip om af te sluiten: schrijf elk persbericht alsof je een artikel voor de voorpagina van een krant aan het schrijven bent.
Gelukkig geldt dit niet voor blogposts.
Het PR-offensief van Israel
Een regio die voornamelijk door – tja – onschuldige burgers wordt bewoond, wordt met enorm militair machtsvertoon vermalen tot er niets dan los zand overblijft. Gemakkelijk is dat wel, om graven in te maken, bijvoorbeeld. Zeker kindergraven, daar moet je heel wat minder voor spitten.
Ja, het conflict tussen Israel en de Palestijnen is complex, maar dat deze militaire operatie compleet misplaatst is, daar kan toch geen discussie over bestaan? Zelfs in Israel bestaat er heel wat protest tegen wat de (leger)leiding allemaal aan het uitspoken is. Hoe kan het dan zomaar blijven duren?
Ik las ergens dat Israel de oorlog wel aan het winnen was op militair vlak, maar verliest op PR-vlak. Oh ja? Is dat wel zo? Toegegeven, ze maken elke fout die je maar kunt maken inzake crisiscommunicatie (wat logisch is als je dit niet als een humanitaire crisis beschouwt, natuurlijk). Gaat er iets fout – zoals het bombardement van die VN-school – dan is het niet de Israëlische overheid zelf die het uitbrengt, zoals het handboek Crisiscommunicatie for Dummies voorschrijft. Voortdurend worden ze – althans op communicatief vlak – in het defensief gedreven. Verklaringen laten eeuwig op zich wachten, worden voortdurend veranderd, enzovoort. Een schoolvoorbeeld van hoe het niet moet, dus.
De grootste fout die ze op dit vlak maken, is natuurlijk dat de onafhankelijke pers wordt geweerd, wat vooral tot gevolg heeft dat de lokale bevolking – met de middelen die haar nog rest – verslag kan uitbrengen over wat er aan het gebeuren is. Door enkel de burgerslachtoffers te tonen, benadrukken ze heel efficiënt de wreedheid van deze operatie. Ongetwijfeld wordt er her en der ook op reguliere wijze gevochten, maar dat wordt wijselijk niet verslaan. Is het dus Hamas-propaganda? Ongetwijfeld? Zint me dat, gezien de weinig verheven tactieken die deze organisatie erop na houdt om zijn doel te bereiken? Niet echt. Mag je je toevlucht zoeken tot propaganda als je buren, vrienden, familieleden afgeslacht worden? Probeer daar maar eens een zinnig bezwaar tegen te vinden…
Maar maakt het allemaal iets uit? Blijkbaar niet. Elk weekend wordt zowat in elk Westers land geprotesteerd dat het niet mooi meer is. Elke dag barst het nieuws van kapotgeschoten huizen, bloedende en huilende mannen en vrouwen, aan- en afrijdende ambulances. Het leven zoals het bijna afgelopen is. Daarna zie je deftige heren in nette maatpakken strenge taal spreken, maar het is roepen in de woestijn. Een VN-bestand? Wat gaan wij ons daarvan aantrekken, zeggen beide partijen, en ze schieten lustig verder. Bij voorkeur zelfs op VN-gebouwen of -voertuigen. Maak van die VN voortaan gerust QN – die van quantité négligable.
Een Belgisch B-Fast team staat al dagen klaar om slachtoffers te helpen, maar mag niet vertrekken… van Egypte. Een fijn staaltje Realpolitik van het piramidenvolk, dat liever heel de bevolking van Gaza mee ten onder ziet gaan samen met Hamas dan besmet te worden door die opruiende rakkers. Cynisme is van alle tijden, en van alle volken.
En intussen is er niemand die echt een vuist kan maken tegen de Israëlische overheid. Die houdt namelijk alleen rekening met wat de Amerikaanse regering zegt. En die zegt… weinig tot niets. “Goh, het komt nogal ongelegen (of net goed getimed, wie zal het zeggen?), nu met die machtsoverdracht en zo. En we hebben hier ook een crisis, hoor, nog niets van gemerkt of zo?”
Ik heb overigens zo’n donkerbruin vermoeden dat Joe-met-de-baseballcap (of George-met-de-Stetson, hangt ervan af van waar je kijkt…) weinig of niets merkt van wat er in Gaza gebeurt. Kijk maar eens naar de nieuwssites van de grote Amerikaanse tv-netwerken, zoals ABC of CBS (Van Fox News verwacht ik al helemaal geen degelijke verslaggeving). Alleen NBC News vermeldt de oorlog op de homepage. Van massale betogingen in New York, Chicago of LA is er dan ook geen sprake. “Ha neen, want Israel is onze bondgenoot tegen die horden stoute Arabieren. Die gaan we toch niet op de vingers tikken, zeker?”
Men zegt dat de Amerikaanse televisiejournaals een grote rol hebben gespeeld in het beëindigen van de oorlog in Vietnam. Aangezien er geen VS-soldaten meevechten in Gaza is het evident dat de netwerken die ambitie nu niet hebben. Maar ook hun verslaggeving over de oorlog in Irak had dat effect al niet meer. Hun rol is wat dat betreft uitgespeeld.
En dus mag er in Gaza ongehinderd worden verdergeschoten. Over een paar jaar zal een of andere commissie wel oordelen dat er misdaden tegen de menselijkheid zijn gepleegd, en zullen deftige heren in nette maatpakken weer strenge taal spreken. Maar tegen dan zijn er weer een paar honderden, misschien duizenden graven bijgekomen in het mulle zand.
Oh, allemaal een Gelukkig Nieuwjaar, natuurlijk. Als we maar gezond zijn, hé!
Foto © Bissane Ibrahim
Dokter, ik heb last van een harmoniserende kwantumfysische informatietegengolf!
Kan langdurig gebruik van een mobiele telefoon de temperatuur in je hersenen doen oplopen? Vast wel. Dat is zowat het enige waar de medische wereld en experts in elektromagnetische straling het over eens zijn. Kan de temperatuur in je hersenen oplopen door op een mooie zomerdag blootshoofds rond te lopen? Tuurlijk. Dat is het enige waar ik het met mijn vierjarig zoontje over eens ben. Kan de temperatuur in je hersenen flink oplopen door aankondigingen zoals die rond de E-Waves Phone Chip? Absoluut, maar daar is helaas geen kruid tegen gewassen.
Onder andere Luc Van Braekel en Koen Vervloesem hadden daar vandaag al zinnige dingen over te vertellen op hun blogs. De kritische toon van hun posts staan in schril contrast met de berichten die ik hierover vandaag opving in de klassieke media – op een reportage in Terzake na. Een typische geval van zeurderige bloggers tegenover objectieve, serieuze journalistiek? Ik vrees dat er meer aan de hand is. Omega Pharma is geen kaartclubje en Marc Coucke is niet de eerste de beste. Om hem tegen te spreken, ben je dus best zeker van je stuk én goed voorbereid, en daar hadden de meeste journalisten gisteren duidelijk geen tijd voor. Wat wil je ook, als ze behalve deze aankondiging nog een drietal andere artikels of reportages moesten maken? En er meteen ook de foto’s bij maken, als het even kan, dank u vriendelijk? Hopelijk komt daar de komende weken nog wat beterschap in. Benieuwd wat men er bij DiskIdee over te melden zal hebben, bijvoorbeeld. En ik kijk uiteraard ook verwachtingsvol in de richting van mijn… euh, jongste oud-collega’s.
Vanuit PR-perspectief lijkt me deze lancering een gigantische gok. Omega Pharma heeft momenteel een degelijke reputatie, maar als deze chip pure kwakzalverij is – en daar ruikt het alleszins ferm naar – dan kan dat gevolgen hebben voor het hele bedrijf. Veel is er tegenwoordig niet nodig om wereldwijd aan de schandpaal te worden genageld. Het kan eigenlijk maar twee kanten uit: ofwel wordt Omega Pharma hierdoor wereldwijd gelanceerd, of wereldwijd geroyeerd… En een beschadigde reputatie herstellen, daar bestaan helaas geen wondermiddeltjes voor.
Helemaal gerust is Coucke er blijkbaar zelf niet op. In Phara had hij het opeens over “de potentiële schadelijke gevolgen van onverantwoord gsm-gebruik” noemt. Iemand bezwaar als als ik morgen een grote rol plakband op de markt breng als het wondermiddel tegen “de potentiële schadelijke gevolgen van onverantwoord woordgebruik”?
Update: De pret lijkt al voorbij… Zie hier.
Twitterende Celebs: Een Vergelijkend Onderzoek
Een quizje: welke BA (Bekende Amerikaan) stuurde onlangs dit bericht de wereld in via Twitter?
Thinking about adopting a dalmation and getting a saddle.
Je kunt kiezen uit:
- Lance Armstrong
- Sarah Palin
- John McCain
- Barack Obama
- Gary Coleman
- Britney Spears
- Stephen Fry
In een echte quiz zou het waarschijnlijk een nek-aan-nek-race worden tussen Sarah Palin en Britney Spears (al kan ik me voorstellen dat een aantal deugnieten hun geld op Stephen Fry zouden durven zetten), maar het juiste antwoord is: Gary Coleman. Wie na 1970 is geboren – nét van de tiet af, met andere woorden – zal zich wellicht afvragen wie Gary Coleman is, maar daar dient Wikipedia dus voor. Ik ken hem eigenlijk alleen van de serie Diff’rent Strokes, bij ons – ik denk op een Nederlandse zender – te zien onder de titel Arnold. Dat was een enorm succes in die tijd, maar daarna is het van kwaad tot erger gegaan met het kindsterretje. De laatste jaren kwam hij enkel in de pers in verband met rechtszaken, zijn drankverslaving, zijn ietwat onprecieze rijstijl, zijn echtscheiding (die op tv werd uitgezonden!), enzovoort.
Maar nu is hij terug, op Twitter dan nog. Al is het allesbehalve zeker of het wel om de echte Gary Coleman gaat. Mocht dat zo zijn, dan is hij wel de koning van de zelfspot. Enkele van zijn meest recente berichten:
I’m auditioning to be a Chipmunk! In the bag because I’m actual size.
Boy did I wake up on the wrong side of the toddler bed this morning.
I once drank my weight in beer! It took like..THREE cans!
Na een berichtje op En Nu Even Ernstig ben ik een paar twitterende celebs beginnen “volgen”. Maar dat levert helaas niet veel op. De twitterende Lance Armstrong is wellicht wel de echte, maar helaas veel minder grappig dan Gary Coleman – om niet te zeggen: oersaai. Vaak dingen als “Had a great livestrong ride today. Taylor and I hammered it.” Of “Hit the gym, rode for a bit, checked out the new LAF world HQ (done year-end) and now getting the kids!!”. Oh well, het is natuurlijk zijn job niet om boeiend te zijn (en dat zijn mijn tweets ook vast niet).
Britney Spears is blijkbaar ook de echte, maar het lijkt er sterk op dat een of ander pr-mannetje haar handjes vasthoudt. “Had a great day! Just put the babies down for bed. We were able to sneak out and get halloween costumes.” En dat soort dingen. Ideaal om het beeld van de foute moeder wat bij te stellen, met andere woorden. Sommige van haar berichtjes worden bovendien gepubliceerd door iemand van “Team Brit”. Flauw…
De boeiendste BT (Bekende Twitteraar) is zonder twijfel Stephen Fry, die een halve wereldreis aan het maken voor een documentaire over verdwijnende kruiden (of wat bedoelt hij met “disappearing species”?
). Overal waar zijn gsm een signaal opvangt, stuurt hij Tweets. Af en toe slaagt hij er ook in zijn droge humor in zo’n berichtje te stoppen.
Snakes, a chameleon, three leaf-tailed geckos: the best jungle I’ve ever been in. Nosy Mangabe rocks.
Lawks what a day, I’m on the 4th biggest island on earth, over 80% of whose plant life is unique and I’ve been talking about Ross and Brand!
(verwijzend naar de perikelen rond Jonathan Ross en Russel Brand)
Ah me! Just had a foot massage. Head massage in the morning, foot in the evening. Should have had a tummy rub at lunchtime…
Ronduit ontgoochelend zijn de Twitter-activiteiten van de protagonisten in de strijd om het Witte Huis. Obama – of beter: iemand uit zijn team – laat gewoon geregeld weten waar hij zal spreken en hoe je de toespraak kunt volgen.
In Des Moines, IA “Early Vote for Change” rally. Watch it live at http://my.barackobama.com/livestream
Het team van Sarah Palin doet doorgaans net hetzelfde, afgewisseld met berichtjes waarin allerlei vaags wordt geïnsinueerd over Obama. De tweets van McCain zijn gewoon nog erger: die gaan bijna allemaal over Obama. “Hij” stuurt vooral links naar commentaren van ongetwijfeld ultraconservatieve politieke analisten die hun gal spuwen over McCains tegenstander. Zielig, gewoon.
Moraal van het verhaal: wie dacht dat hij via Twitter iets (boeiends) te weten zou komen over onze bekende medemens, komt negen op de tien keer bedrogen uit. Maar wie had eigenlijk iets anders verwacht?
Beurscrisis treft IT-speak
Ik schat dat in ruwweg de helft van alle interviews over zakelijke IT-projecten op een gegeven moment het wonderlijke begrip “cloud computing” valt. Het is veruit de stomste term die de computersector – die in deze nochtans een indrukwekkend palmares kan voorleggen – ooit heeft voortgebracht. Op een schier misdadige manier gesimplificeerd, komt het erop neer dat de computerprogramma’s van bedrijven niet langer draaien op de servers van het bedrijf zelf, maar ergens op een datacenter – hele zalen vol superkrachtige computers die via een snelle internetverbinding verbonden zijn met de bedrijven die er gebruik van maken – die gerust aan de andere kant van de wereld kunnen staan. Iedereen die zijn mail leest op Gmail.com of Hotmail.com doet met andere woorden een beetje aan cloud computing.
Maar daar wou ik het eigenlijk niet over hebben. Wel over de manier waarop medewerkers van IT-bedrijven zich vaak in duizend bochten tegelijk wringen om de materie aan leken uit te leggen. Echte IT-specialisten gruwen namelijk van de simplificatie die ik hierboven gebruikte. Want het is niet helemaal correct, en als het niet helemaal correct is in IT, dan werkt het niet. Zo simpel is het voor hen. Als elke 0, x, >, % of = op de juiste plaats moet staan, dan wordt dat een mentaliteit, vermoed ik. Helaas maakt het er de communicatie met IT-experts niet eenvoudiger op.
Door de beurscrisis is de discussie er zowaar nog wat ingewikkelder op geworden. Critici van cloud computing werpen namelijk vaak op dat heel wat bedrijven nooit ofte nimmer hun computersystemen – inclusief de vaak gevoelige informatie over klanten, producten of zelfs concurrenten – gaan toevertrouwen aan een of ander bedrijf dat men enkel kent via de website en wat e-mails. De verdedigers van cloud computing hadden een geweldige analogie ontdekt om die kritiek te counteren. “Waar bewaar jij je geld?”, vroeg zo iemand dan. “Dat vertrouw je toch ook toe aan een bedrijf – soms zelfs maar een website – dat je nauwelijks kent? Sommige bedrijven hebben miljoenen dollars reserve op de bank staan – waarom zouden ze dan hun klantendatabase en e-mailsysteem niet aan een ander overlaten?”
Afgelopen donderdag hoorde ik een kerel van SAP deze “line of defense” nog gebruiken. Maar gelukkig was deze man niet de doorsnee-robot die je in deze sector helaas maar al te vaak tegen het lijf loopt, en had hij genoeg werkelijkheidszin om zichzelf te onderbreken met een gortdroog “Gee, that line used to work a whole lot better around a week ago…”
Bezweken voor Facebook
“Ik zit hier nu een paar weken actief op en weet eigenlijk niet goed waarom,” laat mijn buurman en online buddy Bernard weten op de Facebook-pagina die ik van de week heb aangemaakt. Hij is vast niet de enige. Zeker voor wie ouder is dan zestien is het allemaal een beetje silly, natuurlijk.
Daarom dat ik ook zolang heb getwijfeld om tot dit clubje toe te treden. Maar ik was eigenlijk te nieuwsgierig, denk ik. Via via wist ik namelijk dat nogal wat oude vrienden een Facebook-profiel hadden (terwijl ze bijvoorbeeld geen zier geven om LinkedIn, waar ik al jaren gebruik van maak). Het lijkt me leuk om daar nog eens contact mee op te nemen, zeker nu we – volop werkend en kinderen opvoedend – veel te weinig buitenkomen (al dient in dit verband te worden opgemerkt dat we afgelopen zaterdag wel mooi op een privé-feestje stonden te pintelieren naast schoon volk als Tom Lanoye, Wim Helsen, Rick De Leeuw en Helmut Lotti, wat op een onnozele manier wel iets had, vond ik).
En kijk: de dag nadien kreeg ik van iemand die ik al in geen tijden meer had gezien prompt een uitnodiging om nog eens een pint te gaan pakken. Je ziet het: Facebook werkt! Ik kan het iedereen aanraden!
(Hmm, zouden die kerels al een pr-bureau hebben?)
De truuk met de foef
“Sex sells” is een van de meest gekende en schaamteloos toegepaste marketingwijsheden. Het werkt altijd en overal, behalve wellicht in een aantal islamitisch georiënteerde naties…
Meestal zijn het blote tieten – God’s beste werk, volgens velen – die worden gebruikt om de de argeloze koper in de val te lokken. Maar vandaag is wat dat betreft weer een grens verlegd. In Goedele, het nieuwe maandblad rond… euh, Goedele staat een reeks vagijnen zo groot afgebeeld dat zelfs Stevie Wonder de g-plek kan zien zitten. Toegegeven, dat past naadloos binnen het concept, en Goedele kan zich beroepen op haar achtergrond als seksuologe om het te verantwoorden, maar het is natuurlijk in de eerste plaats een geslaagde PR-stunt. Zowat elk krantenartikel had het erover en uiteraard hebben ook enkele bloggers het gemeld.
Loopt iedereen daarom meteen naar de krantenwinkel om het nieuwe blad – uiteraard stiekem verborgen in een exemplaar van De Tijd – mee naar huis te nemen? Neen, dat zou maar al te gemakkelijk zijn. En daarvoor is de erotische uitstraling van zo’n medisch uitgelichte hoofdingang ook wat te beperkt. Wat telt, is dat het nieuwe blad meteen een imago heeft: het is niet zomaar een nieuw blad, maar een boekske met een foto van een preut in. Het is dus stout, gedurfd, grensverleggend, geen kleur- en smaakloze prul. Zelfs al zouden alle artikels in deze editie van een schabouwlijk niveau zijn (wat ik sterk betwijfel), dan maakt dat allemaal niet uit. Goedele – het boekje – heeft vanaf dag één een smoel, dat is wat telt. Een enigszins harige smoel, dat wel, maar beter dat dan niets…
Benieuwd of het vertrouwen van de adverteerders gaat volgen. Amper 16 pagina’s advertenties op een totaal 156, waarvan minstens de helft intern (voor andere Sanoma-bladen bijvoorbeeld) of in ruil, dat is niet meteen een weergaloos succes te noemen.




