Archive for the ‘media’ Category
RIP (pdw)

foto © An Nelissen http://annelissen.wordpress.com/
Een stomp in de maag was het, deze tweet die deze namiddag plots opdook. Was dat waar? Of was het een macabere en vreselijk flauwe grap? Moeilijk te geloven van iemand die zich enkele weken geleden nog op de gebruikelijke wijze – geestig, dus – ergerde aan die shockspots van het BIVV. Even later kwam, alweer via Twitter, de bevestiging: Patrick De Witte is niet meer. This joke isn’t funny anymore…
Waarom heeft me dat zo aangegrepen, heb ik me de hele avond afgevraagd. Zo goed kende ik hem immers niet. (Als ik hoor hoe zijn goede vrienden over hem praten, dan vind ik dat overigens een spijtige zaak.) Ik heb hem verschillende keren gesproken toen ik nog voor De Standaard schreef, en er één keer zelfs een lang interview van afgenomen. Dat was op het einde van zo’n seizoensvoorstelling van Canvas, in het Amerikaans Theater. De Porseleinen Pony was toen het tv-programma waarmee hij ons wilde verblijden. Niet zijn beste werk, maar soit. Dat interview was wellicht ook niet mijn beste werk, want ik kan het met de beste wil van de wereld niet terugvinden op De Standaard Online. Dat er op het einde van zo’n persconferentie al eens een glas werd gedronken, is hier vast niet vreemd aan. Misschien probeerde ik Patrick wel bij te houden op dat vlak. Ik had toen wel vaker geweldige ideeën.
De laatste jaren had ik nauwelijks nog contact met Patrick, behalve af en toe via Twitter. Enkele weken liepen we elkaar nog eens tegen het lijf in de Delhaize in Ledeberg. Gezwind liep hij door de gangen van de winkel, op jacht naar ingrediënten voor everzwijn op Toscaanse wijze, als ik me niet vergis. Het zou me overigens ook niet verwonderen als hij daarna persoonlijk nog een everzwijn gaan vangen is. Hij was er de man niet naar om daar 200 vrienden voor lastig te vallen.
Een hechte persoonlijke band hadden we dus niet, maar toch ervaar ik zijn dood als een groot verlies. Is het omdat hij op bijna exact dezelfde leeftijd als mijn vader aan exact dezelfde doodsoorzaak (naar wat ik hoor) is overleden? Nee, want daar houdt de vergelijking al meteen op.
Waarom ga ik Patrick dan wel missen? Omdat hij mij zo vaak heeft doen lachen, uiteraard. Vroeger bij Humo (bekentenis: ik ben bij Computer Magazine ooit met een rubriek gestart die vollédig gepikt was van zijn rubriek ‘Zap’), later bij Deng en Mao, nog later met tv-programma’s als Kijk Eens Op De Doos, de laatste tijd vooral met zijn columns in De Morgen. En omdat hij met Comedy Casino een haast Nobelprijwaardige bijdrage heeft geleverd tot het ontstaan van een echte comedycultuur in Vlaanderen.
Ze was altijd scherp en zelden vrijblijvend, die humor van Patrick De Witte. Een en ander was vaak gericht tegen wat hem stoorde, tegen onrecht, tegen mensen die volgens hem de boel aan het verzieken waren (of zijn…), tegen leugens en bedrog. Het kon Patrick allemaal wél wat schelen, in tegenstelling tot vele andere komieken. En ook niet onbelangrijk: hij was echt onafhankelijk – iemand die zich voor niets of niemand inhield, zoals deze fenomenale open brief aan Wouter Vandenhaute zo mooi illustreerde.
Hij was met andere woorden geëngageerd – en toch geweldig grappig. Die heksentoer zie ik niet meteen iemand anders overdoen.
En daarom ga ik (pdw) dus missen.
Onderzoeksjournalistiek om twee uur ‘s nachts
Ik had het helemaal uitgevogeld: onderzoeksjournalistiek zou de (Belgische) media wel redden. Als nieuwsorganisaties daar maar genoeg in investeerden, zouden ze wel weerstaan de vloedgolf van social media-diensten die de relevantie van traditionele media steeds vaker in vraag stellen. Maar op basis van een debat dat ik vorige week bijwoonde, georganiseerd door de alternatieve nieuwssite Apache en het Fonds Pascal Decroos, ziet her er niet naar uit dat we in België binnenkort veel vaker sterke staaltjes van onderzoeksjournalistiek gaan zien.
Van debatteren is – zoals wel vaker op dit soort avonden – weinig in huis gekomen, maar het was wel interessant om enkele van de schaarse Belgische onderzoeksjournalisten (Jan Antonissen van Humo en Douglas De Coninck van De Morgen) én een Nederlandse collega (Eric Smit van Follow The Money) over dit onderwerp te horen vertellen.
Er zijn een aantal redenen waarom er in ons land bitter weinig aan onderzoeksjournalistiek wordt gedaan. (Onder andere omdat het zo’n lang woord is, denk ik.)
Ten eerste is deze vorm van journalistiek vaak erg duur. Je moet een of meerdere van je betere journalisten gedurende dagen, weken, soms zelfs maanden vrijstellen om aan één verhaal te werken. Waarvan je aan het begin overigens nog niet weet of het wel zal kunnen verschijnen. De schrik voor briesende, op de tenen getrapte bigshots en – erger nog – hun leger goed uitgeruste advocaten zit er duidelijk in. En intussen kan of kunnen die journalist(en) geen pagina’s vullen of online artikeltjes die voor de nodige pageviews moeten zorgen. Zolang de media te kampen hebben met dalende inkomsten, zal er dus niet meer budget worden vrijgemaakt voor onderzoeksjournalistiek.
Antonissen en De Coninck waren het erover eens dat er nog een tweede aspect van tel is: de relatie tussen journalist en hoofdredacteur. De Coninck wees erop dat momenteel bijna alle publicaties die de publieke opinie beïnvloeden – De Morgen, HUMO, Knack, zelfs de VRT-nieuwsdienst – momenteel een hoofdredacteur hebben die daar nog niet lang zit. Volgens Antonissen moeten redacteur en hoofdredacteur elkaar nochtans blindelings kunnen vertrouwen als het op risicovolle artikels aan komt. En dat vertrouwen komt er uiteraard pas met de jaren.
Tot slot is het blijkbaar geen prioriteit bij de jonge wolven die net een opleiding journalistiek hebben gevolgd. Zoals Smit het nogal gechargeerd stelde: “Studenten journalistiek zijn luie flikkers. Die willen alleen maar interviews doen, portretjes maken, en zo snel mogelijk hun eigen column.” Kuifjes die overal ter wereld ten strijde trekken tegen het onrecht zijn ze niet. (Anderzijds: heb jij Kuifje eigenlijk één artikel zien schrijven?) Onderzoeksjournalistiek vergt serieuze offers op persoonlijk vlak. Zoals Luc Pauwels, een van de auteurs van De Keizer Van Oostende en ook aanwezig op het debat, het stelde: “Wij moesten dit boek na de werkuren maken. Concreet betekende dat dat wij meestal om twee uur ’s nachts de koppen bij elkaar staken om te zien hoever we stonden.”
Dichter bij Kuifje kom je als journalist niet, denk ik.
Schiet niet op de journalist
Er is de voorbije dagen, in de nasleep van het busongeluk in Sierre, zo hard gezanikt over “de journalisten”, “de pers” en “de media” dat het me de strot uitkomt. Ook vlak na het Pukkelpopdrama kreeg ik er al de kriebels van. Het moet maar eens afgelopen zijn, vind ik. Nu de mediastorm rond dit ongeluk is gaan liggen, is het moment misschien gekomen om hier eens rustig over na te denken en te discussiëren.
Eerst een kleine denkoefening. Beantwoord voor je zelf eens deze vragen voor je verder leest:
1) Heb jij vandaag je werk 100% perfect uitgevoerd? Meer nog: leg je elke dag een foutloos parcours af?
2) Als je dan toch eens een steek laat vallen, hoeveel mensen zullen dat merken?
3) Hoeveel mensen zijn in staat, of menen in staat te zijn, om te oordelen of jij je werk goed doet of niet?
Ik weet niet hoe uw antwoorden luiden, maar in mijn geval is dat:
1) Neen, ik maak elke dag ergens wel een fout (ik ben geen robot of zo).
2) Misschien één of twee collega’s of klanten.
3) Meer dan me lief is, maar eigenlijk valt dat wel mee.
Als je deze vragen aan de gemiddelde journalist stelde, zou je totaal andere antwoorden krijgen. Zoiets als:
1) Zie hierboven, wij zijn ook maar mensen.
2) Gemakkelijk enkele tienduizenden.
3) Meer dan gezond voor is voor wie dan ook.
Niet meteen een positie om jaloers op te zijn, of wel? Wat laat ons wel wezen: iedereen maakt fouten, grote en kleine. Maar perslui mogen blijkbaar niet de minste fout maken of iedereen heeft het gezien en heeft er meteen een mening over. Iedereen kan het beter. Journalisten zijn loslopend wild. Schieten op de pers is een nationale sport. Als ik de gretigheid zie waarmee journalisten worden aangevallen voor vanalles en nog wat, dan denk ik: er is iets grondig fout met onze houding ten opzichte van de pers. Hopelijk kan het onderstaande helpen om dat foute beeld wat bij te stellen.
Vier dingen die u moet weten over de pers
Ten eerste: in een democratie moet de pers zoveel mogelijk vrijheid hebben (lees: alleen een strikt noodzakelijke reglementering). Anders kunnen journalisten hun werk niet doen: informatie verzamelen, blootleggen wat men verborgen wil houden, verbanden leggen die ons inzicht verschaffen in de wereld waarin we leven. De pers muilkorven is de deur openzetten naar machtsmisbruik, gesjoemel (nu ja: méér gesjoemel), bandeloosheid. Wil dat zeggen dat journalisten maar mogen doen wat ze willen? Natuurlijk niet. Maar: laat ons zuinig zijn met het reglementeren van de media.
Ten tweede: journalisten komen tegemoet aan een reële vraag. Er is iets misselijkmakend hypocriet aan het alomtegenwoordige gekanker over de overdreven media-aandacht voor het busongeluk enerzijds, en het feit dat tal van kranten en tv-uitzendingen de voorbije dagen enorm goed scoorden. Sorry, maar mij maak je niet wijs dat het land netjes verdeeld is in twee verschillende soorten mensen, in zuivere voor- en tegenstanders. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat heel wat mensen in het openbaar kritiek hebben op de werking van de pers, maar wel doodleuk al die extra nieuwsuitzendingen hebben meegepikt en voor het eerst in weken of maanden nog eens een krantenwinkel zijn binnengestapt. En weet je wat: je hoeft je daar heus niet voor te schamen (voor het consumeren van nieuws, bedoel ik, voor dat gehuichel moet je je natuurlijk wél schamen). Dat is een heel menselijke reactie: we willen weten wat er gebeurd is, we willen weten hoe mensen daarop reageren, we willen de verhalen horen achter deze tragedie. Waarom? Al sla je me dood, ik zou het niet weten. Ik ben geen expert in de menselijke psyche. Ik stel alleen vast.
Ten derde: journalisten zijn geen idioten. Meer nog (en dit zou wel eens hard kunnen aankomen): goede journalisten zijn een pak slimmer dan u en ik. Ze zijn beter geïnformeerd, zien sneller verbanden tussen verschillende gebeurtenissen en zijn meer dan wie ook vertrouwd met de technieken die soms worden gebruikt om ons wat op de mouw te spelden. Maar: zelfs de beste journalisten zijn geen perfecte journalisten. Ook zij kunnen fouten maken. Persoonlijk ben ik er bijvoorbeeld van overtuigd dat het publiceren van de foto’s van de slachtoffers van het busongeluk een foute beslissing was. Maar ik ben er even stellig van overtuigd dat dat een bewuste beslissing was, een beslissing die werd genomen nadat alle voor- en nadelen ervan overwogen zijn. Met kennis van zaken, met de ervaring die deze mensen hebben, en met respect voor de medemens. Die is ver te zoeken bij het soort journalisten die de getroffen scholen belegerden, familieleden van slachtoffers lastig vielen om zo snel mogelijk een (hopelijk zo emotioneel mogelijke) reactie te krijgen. Journalisten die deze getuigenis maar eens moeten lezen. Dat zijn in mijn ogen laakbare journalistieke praktijken. Het zou daarom geen kwaad kunnen als de media zelf werk zouden maken van duidelijke richtlijnen van wat kan of niet kan in deze materie.
Ten vierde: de media zijn – met uitzondering van de VRT (alhoewel…) – een commerciële activiteit. Ze werken in een markt waarin keiharde concurrentie speelt. Een markt die het bijzonder moeilijk heeft omdat we allemaal het nieuws veel liever gratis op het internet lezen dan ervoor te betalen in de krantenwinkel. Een markt waarin werkzekerheid exotischer is dan een eskimo in een mangoplantage. Waarin mensen al eens dingen tegen hun zin doen om hun job te houden. Omdat er thuis kinderen rondlopen die eten, nieuwe kleren, speelgoed en een goede opleiding nodig hebben. Dat bepaalt soms wat we te zien of te lezen krijgen in de media. Het zou niet mogen, maar het is zo (tot spijt van wie het benijdt…). Als jij weet hoe het kan worden opgelost, laat het dan zeker weten.
Omgaan met fouten
Persoonlijk ben ik van mening dat er in de verslaggeving over het busongeluk fouten zijn gemaakt: feitelijke fouten, maar vooral inschattingsfouten en wellicht zelfs ethische fouten. Er zijn fouten gemaakt uit gebrek aan ervaring, als gevolg van tijdnood, van werkdruk en ongetwijfeld ook van commerciële druk. Tal van journalisten, hoofdredacteurs en uitgevers hebben de voorbije weken moeilijke keuzes moeten maken, keuzes waar zelfs de meest bekwame en ervaren mensen heel veel moeite hadden (zie ook wat iemand als Peter Vandermeersch in Nederland is overkomen door de berichtgeving over prins Friso in NRC). We moeten ons niet wijsmaken dat wij het allemaal beter, laat staan perfect hadden afgehandeld.
Natuurlijk zou het goed zijn als alle hoofdredacteurs de komende weken, nu de rust op de redactie is teruggekeerd (voor zover dat ooit het geval is, natuurlijk), eens goed nadenken over hun aanpak van dit verhaal, eens tijd maken voor een evaluatie. Ik ben er zelfs vrij zeker van dat dat zal gebeuren. Ik heb in het verleden, toen ik er nog zelf één was, maar al te vaak vastgesteld dat journalisten ook hun eigen werk met hun typische kritische blik bekijken.
Wil dat zeggen dat er in de toekomst geen fouten meer zullen worden gemaakt? Zolang kranten, tijdschriften, radio- en tv-reportages door mensen worden gemaakt, is de kans groot dat we deze discussie nog vaker gaan houden. Alleen hoop ik dat wat meer mensen datgene gaan opbrengen waar het volgens hen de voorbije dagen zo hard aan ontbrak in de berichtgeving: wat meer respect.
Journalistiek in 2012
Bloggen, dat komt er haast niet meer van, maar een bijdrage voor het stilaan prestigieuze Trendrapport van Netlash, daar wou ik nog wel eens een paar uur voor aan de schrijftafel zitten. Het resultaat vind je hieronder, maar download zeker het rapport zelf – je zal er geen spijt van hebben!
Journalistiek in 2012: en plein public
Je zou het niet meteen verwachten, maar journalisten zijn nogal conservatief wat hun job betreft. Het overgrote deel van hen werkt nog altijd op nagenoeg dezelfde wijze als pakweg vijf jaar geleden. Dat heeft te maken met het maatschappelijk belang van hun vak en ook de hoge werkdruk zit er uiteraard voor iets tussen. Veel ruimte voor experimenten is er niet.
Ook in 2012 zal er in de journalistiek dus niet zo heel veel veranderen, zeker niet in België. Slechts een minderheid van de journalisten voelt zich geroepen om hun aanpak aan te passen aan de nieuwste technologische ontwikkelingen. Laten we eens kijken welke trends die pioniers hebben ingezet.
God ziet u! En wij ook.
Artikels en reportages worden nu soms gemaakt op plaatsen waar ze vroeger alleen werden gepubliceerd en becommentarieerd: op sociale netwerken als Facebook, LinkedIn en Twitter. Alsmaar vaker vinden daar conversaties plaats tussen journalisten en woordvoerders van bedrijven of organisaties die later verwerkt worden in artikels. Dat verloopt niet altijd even vlot: het gaat er soms ronduit chaotisch toe en leidt uitzonderlijk zelfs tot genante momenten. Zowel journalisten als woordvoerders moeten het duidelijk nog gewoon worden dat sommige van hun gesprekken “en plein public” plaatsvinden. En dat er niet alleen wordt meegeluisterd, maar af en toe ook wordt meegepraat.
Iedereen woordvoerder
Het zijn niet altijd meer de officiële, vooraf met de pr-verantwoordelijke afgesproken personen die met journalisten converseren. In social media ontstaan alsmaar vaker connecties of relaties tussen journalisten en andere werknemers van bedrijven. Vroeger gebeurde dat ook al – op bedrijfsevenementen, tijdens stakingen of zelfs op café – maar nu is het een stuk gemakkelijker geworden voor journalisten om zulke mensen te vinden, te volgen en te contacteren.
Op het eerste gezicht is dat een pr-nachtmerrie, maar er zijn ook goede kanten aan: wat die officieuze woordvoerders vertellen, wordt vaak authentieker – en dus interessanter – gevonden dan de officiële communicatie.
Gedaan met die vervelende deadlines?
In zijn onlangs verschenen boek “Media morgen” schrijft Jo Caudron dat er in de toekomst geen deadlines meer zullen zijn. Volgens hem moeten kranten en tijdschriften ook los van hun vaste verschijningsfrequentie (dag, week, maand, …) een constante stroom van content produceren. Dat is wat de huidige generatie mediagebruikers, opgegroeid met de timeline van Twitter en de newsfeed van Facebook, nu eenmaal verwachten.
Afgaande op mijn eigen ervaringen als journalist – en nu zullen een aantal ex-collega’s het ongetwijfeld op een monkelen zetten – zou die aanpak er volgens mij toe leiden dat er helemaal géén artikels meer verschijnen. Deadlines zijn nodig om verhalen gepubliceerd te krijgen. Maar met een beetje organisatie kunnen kranten of tijdschriften wel verschillende publiceermomenten voorzien, waardoor ze continu artikels de wereld insturen. Ik verwacht dat binnenkort publicaties zullen beginnen te experimenteren met dit model. Waarin dus ook nog deadlines bestaan. Sorry!
Een leger van medewerkers
Tal van journalisten hebben in de loop van hun carrière een aardige verzameling telefoonnummers vergaard van mensen die ze kunnen bellen voor nieuws of een woordje uitleg. Zo’n boekje aanleggen wordt helaas moeilijker en moeilijker. Actief zijn in social media is gelukkig een bruikbaar alternatief. Wie vaak en goed twittert, kan een mooi legertje volgelingen verzamelen, dat mettertijd ook een legertje medewerkers kan worden. Je kunt hun vragen of ze iets afweten van het onderwerp waarmee je bezig bent, of ze iets willen checken, enzovoort. Ik zie steeds vaker journalisten die daar een beroep op doen, zo te zien ook met resultaat.
Steeds meer BJ’s! (Bekende Journalisten)
Journalisten die via social media een netwerk, een publiek hebben opgebouwd, kunnen dat ook gebruiken als promotiemiddel: om reclame te maken voor het medium waaraan ze zijn verbonden, en zichzelf in één moeite door als expert te profileren. Andere journalisten – vaak van radio of televisie – zullen hen sneller vragen om iets te komen uitleggen, waardoor ze een groter of ander publiek bereiken. Vroeg je in 2009 aan iemand die niet in de media werkte om de namen van tien journalisten op te noemen, dan leverde dat steevast een lange “Euh…” op. Tegenwoordig is diezelfde opdracht voor heel wat mensen een koud kunstje: ze kennen de mensen in kwestie van Twitter. Sommige twitteraars zijn zwaar fan van bepaalde journalisten en laten dat ook blijken.
De keerzijde van de medaille: lezers die kritiek hebben op wat in de media verschijnt, kunnen hun bezwaren nu publiekelijk en oncontroleerbaar uiten. Journalisten zullen op termijn dus zorgvuldiger en voorzichtiger te werk moeten gaan, wat de kwaliteit van de journalistiek ten goede kan komen.
Check en dubbelcheck – maar intussen toch al publiceren
Nog in “Media Morgen” vertelt Jo Caudron over nieuwsberichten die hij op Twitter voorbij zag komen met de hashtag #unconfirmed. De journalist had iets opgevangen en terwijl hij een tweede bron zocht voor dat nieuwtje, gooide hij het alvast – onder voorbehoud, zeg maar – op Twitter. Later verscheen het bericht opnieuw met de hashtag #confirmed erbij, maar intussen had de journalist het nieuws wel al “geclaimd”.
Dit is lang geen schitterende oplossing. Bovendien kan deze tactiek gemakkelijk misbruikt kan worden om het eerste het beste aannemelijk klinkende gerucht te publiceren. Aan de andere kant: soms is er bij het lezerspubliek zo weinig begrip voor de werkwijze die journalisten moeten volgen voor ze een bericht kunnen brengen dat er misschien niets anders opzit. Ik kijk al uit naar het eerste bericht van een Belgische journalist met de hashtag #onbevestigd…
Waarom, waarom, waarom?
Als nieuws zich ergens als een lopend vuurtje verspreidt, dan is het wel op sociale netwerken. Toch blijven veel media hun klassieke rol als leverancier van nieuws onverstoorbaar verder spelen. Dat is heel begrijpelijk. Je kunt je als publicatie of zender vaak niet permitteren om iets niet te brengen. Wat hadden de kranten de dag na het Pukkelpopdrama anders op hun voorpagina moeten zetten?
Volgens sommige experts verwachten we van traditionele media alsmaar minder dat ze ons vertellen wat er gebeurd is, en alsmaar meer dat ze verklaren hoe het kunnen gebeuren is. Daardoor neemt de portie duiding in kranten overhand toe. Alleen: de lezer is daar niet altijd blij mee. Dat journalisten géén nieuws meer zouden brengen en dat allemaal maar overlaten aan Twitteraars en Facebookers is duidelijk een stap te ver. Daarom denk ik dat er de komende jaren meer zal worden gegraven, dat traditionele media steeds meer verhalen zullen brengen die niet vanzelf naar boven komen. Een optimistische verwachting, geef ik grif toe, misschien zelfs wat naïef, gezien de daling in echte onderzoeksjournalistiek van de voorbije jaren. Maar als uitgevers die daling naast de daling van hun verkoopcijfers leggen, zijn er hopelijk een paar die beseffen dat het misschien het moment is om het roer om te gooien. Laat het ons hopen.
Achterhoedegevecht?
- 38% van de Belgische journalisten is niet terug te vinden op Facebook.
- Circa 9% gebruikt Twitter voor beroepsdoeleinden.
- Ruim de helft (57,1%) gebruikt nooit RSS-feeds.
- Bijna de helft (46,2%) bezoekt nooit blogs die verbonden zijn met de bedrijven waar ze over schrijven.
Dat zijn enkele van de meest opvallende resultaten van een onderzoek dat we bij Quadrant Communications (mijn werkgever) hebben uitgevoerd, en dat hier verder wordt toegelicht. (Inderdaad, alsof ik mijn eigen blog nog niet genoeg verwaarloosde, ga ik nu ook nog voor het werk bloggen. Schandalig, ik weet het…)
Toen we het onderzoek voorbereidden, dacht ik niet dat het gebruik van social media bij journalisten veel hoger zou liggen. Ik schat dat er op dit vlak weinig verschil is tussen het gebruik bij journalisten als in andere beroepscategorieën (webbouwers en marketeers niet te na gesproken). Een collega op het werk vond dat vrij normaal. Ik niet.
Social media – of laten we het nog eens Web 2.0 noemen – lijken me namelijk gemaakt voor journalisten. Met een beetje zoekwerk vind je al snel tal van nuttige tips of hele handleidingen om zaken als Twitter, Facebook, LinkedIn, RSS en blogs te gebruiken voor journalistieke werk. Ze kunnen helpen bij het vinden van nieuws, het verifiëren van feiten, het zoeken naar experts, als inspiratie voor dossiers, als voorbereiding op interviews, enzovoort. Het is tegelijk een bron van informatie, een geavanceerd communicatiekanaal en een alternatief publicatie-instrument. What’s not to like?
Zelf heb in de tweede helft van de jaren negentig meegemaakt hoe het internet – good ol’ Web 1.0 en vooral e-mail, natuurlijk – zijn intrede deed in het vak. Ik was er persoonlijk meteen wild van – ook omdat ik over sommige van die doorbraken mocht schrijven – maar ik merkte hier en daar toen ook wat weerstand. “De telefoon is het belangrijkste instrument van elke journalist”, heb ik een collega destijds letterlijk horen zeggen. (En hij had niet helemaal ongelijk, denk ik) En toch gebruikt elke journalist momenteel het internet.
Laten we nog enkele decennia verder teruggaan in de tijd, toen ik krantenpapier vooral nog zag als een basisingrediënt van papier-maché. Midden de jaren zeventig zaten twee journalisten de telefoonrekening van hun uitgever flink de hoogte in te jagen om te weten te komen wie er achter het Watergate-schandaal zat. Ik weet helaas niet meer waar ik dat heb gelezen, maar blijkbaar was het in die tijd eigenlijk not done om, zoals Bernstein en Woodward, een belangrijk journalistiek dossier grotendeels per telefoon tot een goed einde te brengen. (“De deurbel is het belangrijkste instrument van elke journalist”, zou je hun collega’s destijds misschien hebben horen zeggen.) En toch gebruikt elke journalist tegenwoordig zijn telefoon.
Wat denken jullie? Vinden jullie het normaal dat journalisten social media niet vaker (of misschien zelfs minder vaak) gebruiken dan de gemiddelde Belg? Hebben jullie enig idee waarom ze dat niet vaker doen? Is dit opnieuw een achterhoedegevecht – zoals met de telefoon en e-mail destijds – of is er meer aan de hand?
Twitter Kills Blogs Dead
Het is hier – om het misdadig zacht uit te drukken – de voorbije maanden een beetje stilletjes geweest. Mijn meest recente post is exact tien weken oud. Dat er intussen geen zoekacties op het getouw zijn gezet, met affiches met mijn kop erop en de tekst “Have you seen this guy?”, is volledig te wijten aan Twitter, waarop ik wel nog actief was. Maar dat is anderzijds misschien ook… de verklaring voor deze onderbreking.
Twitter is de fastfoodvariant van de blog. Bloggen doe je niet meer als je doodop bent, creatief leeggelopen, fysiek niet meer in staat om nog een uur lang achter je toetsenbord te zitten – twitteren wel. Met het gevaar dat je er zoals de eerste de beste hamburgerfreak van begint te leven, en geen tijd meer vrijmaakt voor een gezonde, evenwichtige maaltijd. Ik twitter, dus ik blog niet meer.
Ligt dat aan mij, of zijn andere blogger-twitteraars – het moeten niet altijd priester-dichters zijn, nietwaar? – daar ook vatbaar voor? Om dat te weten te komen, heb ik zowaar een BVLG’ke gedaan en een onderzoek(je) uitgevoerd. Ik heb allerlei lijstjes opgesnord van de meest productieve en populaire twitteraars en ben nagegaan of ze ook een blog hadden. Daar heb ik proberen tellen hoeveel posts ze in mei 2007 (een willekeurig gekozen maand) en in mei 2009 hadden geschreven. Voor de meesten onder hen was dat ook de periode waarin ze Twitter hadden ontdekt of intens begonnen te gebruiken. Dat tellen verliep overigens vrij moeizaam – niet te geloven hoe weinig bloggers een chronologisch archief voorzien!
Enfin, dat leverde deze resultaten op:
Voor wie het graag in een grafiekje ziet:

De wetenschappelijke waarde van mijn kort, nachtelijk onderzoek is natuurlijk nihil. Daarvoor is het aantal gemeten blogs veel te klein en te willekeurig, en ik heb ook geen rekening gehouden met andere factoren dan het gebruik van Twitter. Misschien waren sommigen het bloggen al een beetje beu en is dit een voortzetting van een dalende trend? Misschien had iemand het in mei dit jaar heel druk en in 2007 even niet? Wie zal het zeggen?
Maar ik vind het anderzijds toch frappant. En ik niet alleen. Een tijdje geleden stelde Silicon Valley Watcher vast dat de notoire blogger én Twitterfanaat Robert Scoble zowaar al een hele tijd – nu ja, twaalf dagen (daar lachen wij eens mee) – niets had gepost op zijn blog. Waarop Scoble plots een ommezwaai van jewelste maakte en besloot om Twitter en Friendfeed radicaal af te zweren. Volgens hem zouden die toepassingen overigens een nadelige invloed hebben op “long-term knowledge”. En dus voor een oppervlakkiger web zorgen.
Zoals bijna alles wat Scoble zegt, is het wellicht wat overroepen, maar het bevat volgens mij wel een grond van waarheid. Daarom, Beste Blogger-Twitteraars: Veronachtzaam Uwen Blog Niet! Ga niet altijd voor de snelle wip die Twitter biedt. Werk je ideeën wat vaker uit tot een echte blogpost. Ik zal alvast ook meer mijn best doen. The story of my life…
Het PR-offensief van Israel
Een regio die voornamelijk door – tja – onschuldige burgers wordt bewoond, wordt met enorm militair machtsvertoon vermalen tot er niets dan los zand overblijft. Gemakkelijk is dat wel, om graven in te maken, bijvoorbeeld. Zeker kindergraven, daar moet je heel wat minder voor spitten.
Ja, het conflict tussen Israel en de Palestijnen is complex, maar dat deze militaire operatie compleet misplaatst is, daar kan toch geen discussie over bestaan? Zelfs in Israel bestaat er heel wat protest tegen wat de (leger)leiding allemaal aan het uitspoken is. Hoe kan het dan zomaar blijven duren?
Ik las ergens dat Israel de oorlog wel aan het winnen was op militair vlak, maar verliest op PR-vlak. Oh ja? Is dat wel zo? Toegegeven, ze maken elke fout die je maar kunt maken inzake crisiscommunicatie (wat logisch is als je dit niet als een humanitaire crisis beschouwt, natuurlijk). Gaat er iets fout – zoals het bombardement van die VN-school – dan is het niet de Israëlische overheid zelf die het uitbrengt, zoals het handboek Crisiscommunicatie for Dummies voorschrijft. Voortdurend worden ze – althans op communicatief vlak – in het defensief gedreven. Verklaringen laten eeuwig op zich wachten, worden voortdurend veranderd, enzovoort. Een schoolvoorbeeld van hoe het niet moet, dus.
De grootste fout die ze op dit vlak maken, is natuurlijk dat de onafhankelijke pers wordt geweerd, wat vooral tot gevolg heeft dat de lokale bevolking – met de middelen die haar nog rest – verslag kan uitbrengen over wat er aan het gebeuren is. Door enkel de burgerslachtoffers te tonen, benadrukken ze heel efficiënt de wreedheid van deze operatie. Ongetwijfeld wordt er her en der ook op reguliere wijze gevochten, maar dat wordt wijselijk niet verslaan. Is het dus Hamas-propaganda? Ongetwijfeld? Zint me dat, gezien de weinig verheven tactieken die deze organisatie erop na houdt om zijn doel te bereiken? Niet echt. Mag je je toevlucht zoeken tot propaganda als je buren, vrienden, familieleden afgeslacht worden? Probeer daar maar eens een zinnig bezwaar tegen te vinden…
Maar maakt het allemaal iets uit? Blijkbaar niet. Elk weekend wordt zowat in elk Westers land geprotesteerd dat het niet mooi meer is. Elke dag barst het nieuws van kapotgeschoten huizen, bloedende en huilende mannen en vrouwen, aan- en afrijdende ambulances. Het leven zoals het bijna afgelopen is. Daarna zie je deftige heren in nette maatpakken strenge taal spreken, maar het is roepen in de woestijn. Een VN-bestand? Wat gaan wij ons daarvan aantrekken, zeggen beide partijen, en ze schieten lustig verder. Bij voorkeur zelfs op VN-gebouwen of -voertuigen. Maak van die VN voortaan gerust QN – die van quantité négligable.
Een Belgisch B-Fast team staat al dagen klaar om slachtoffers te helpen, maar mag niet vertrekken… van Egypte. Een fijn staaltje Realpolitik van het piramidenvolk, dat liever heel de bevolking van Gaza mee ten onder ziet gaan samen met Hamas dan besmet te worden door die opruiende rakkers. Cynisme is van alle tijden, en van alle volken.
En intussen is er niemand die echt een vuist kan maken tegen de Israëlische overheid. Die houdt namelijk alleen rekening met wat de Amerikaanse regering zegt. En die zegt… weinig tot niets. “Goh, het komt nogal ongelegen (of net goed getimed, wie zal het zeggen?), nu met die machtsoverdracht en zo. En we hebben hier ook een crisis, hoor, nog niets van gemerkt of zo?”
Ik heb overigens zo’n donkerbruin vermoeden dat Joe-met-de-baseballcap (of George-met-de-Stetson, hangt ervan af van waar je kijkt…) weinig of niets merkt van wat er in Gaza gebeurt. Kijk maar eens naar de nieuwssites van de grote Amerikaanse tv-netwerken, zoals ABC of CBS (Van Fox News verwacht ik al helemaal geen degelijke verslaggeving). Alleen NBC News vermeldt de oorlog op de homepage. Van massale betogingen in New York, Chicago of LA is er dan ook geen sprake. “Ha neen, want Israel is onze bondgenoot tegen die horden stoute Arabieren. Die gaan we toch niet op de vingers tikken, zeker?”
Men zegt dat de Amerikaanse televisiejournaals een grote rol hebben gespeeld in het beëindigen van de oorlog in Vietnam. Aangezien er geen VS-soldaten meevechten in Gaza is het evident dat de netwerken die ambitie nu niet hebben. Maar ook hun verslaggeving over de oorlog in Irak had dat effect al niet meer. Hun rol is wat dat betreft uitgespeeld.
En dus mag er in Gaza ongehinderd worden verdergeschoten. Over een paar jaar zal een of andere commissie wel oordelen dat er misdaden tegen de menselijkheid zijn gepleegd, en zullen deftige heren in nette maatpakken weer strenge taal spreken. Maar tegen dan zijn er weer een paar honderden, misschien duizenden graven bijgekomen in het mulle zand.
Oh, allemaal een Gelukkig Nieuwjaar, natuurlijk. Als we maar gezond zijn, hé!
Foto © Bissane Ibrahim
MySpace is dood
Of tenminste toch klaar voor de long way down, denk ik. Het heeft zijn moment de gloire gehad – Arctic Monkeys en Lilly Allen zouden hiermee zijn doorgebroken, herinner je nog? (yeah right…) – en het is voor een flink pak geld verkocht aan News Corp, maar nu valt er niets boeiends meer over te vertellen.
Komt iemand er nog voor iets anders dan om naar de nummertjes te luisteren die beginnende artiesten er aanbieden? Als platform voor het delen van foto’s is het een ramp. En om te bloggen op MySpace moet je ook al over een flinke dosis masochisme beschikken. “Maar MySpace is vooral een community!”, hoor ik een verloren ziel opwerpen. Klopt, een kladversie van Facebook, zou je kunnen zeggen. En over Facebook gesproken, die zouden MySpace wel eens de doodsteek kunnen bezorgen als dit doorgaat.
Vorige week kreeg ik ineens een nieuwsbrief van MySpace in de bus. Ik kan me niet herinneren dat ze dat ooit al eerder hebben gedaan, hoewel ik er al bijna drie jaar een account heb. Maar ze hadden dan ook heel wat Groot Nieuws te melden! (waarmee ze overigens lijken te bewijzen dat ze allesbehalve een community-site zijn)
Classifieds! Zoekertjes, dus. Oh ja, laten we eBay gaan beconcurreren, altijd een goed idee.
TheChannel! Filmpjes Die Bijna Allemaal Al (Lang) Op YouTube Staan. Al even briljant.
MySpace Trailer Park! Voorfilmpjes van nieuwe Hollywood-films. Twee jaar geleden inderdaad even megahot op het internet. Twee jaar geleden…
Behind –the-scenes-video van op de Warped Tour! Met 3OH!3, Forever the Sickest Kids, The Color Fred. “And more!”, mocht dat nog niet volstaan. Geen idee wie die jongelui allemaal zijn, maar hun groepsnamen voorspellen weinig goeds…
Kate Voegele Back-to-School Tour! Kate Wie?
LA Weekly Detour Fest! Tof. Als je in LA woont, tenminste.
Featured artist: Damien Jurado! Ook een geval van “Wie?”, maar daar dient deze rubriek natuurlijk voor. Vond ik na een korte luisterbeurt eigenlijk niet onaardig. Zeker fans van Duyster zullen dit wel appreciëren.
Maar dan: Featured comedian: Cheech and Chong. OK, als ze zó beginnen…
Als MySpace ooit de dieperik in gaat – en mijns inziens zal dat toch niet zolang meer duren – dan hebben de makers daar zelf alle schuld aan. Eén: ze hebben nog altijd niet door dat er meer internetgebruikers buiten de VS zijn dan exemplaren met een Amerikaans paspoort. Twee: de hoer van de platenindustrie spelen heeft zo zijn gevolgen. En drie: zijn de designers daar allemaal blind of zo? Mooie MySpace-pagina’s zijn verdorie als al even zeldzaam als betrouwbare beleggingsadviseurs. De lelijkheid van de meeste pagina’s is zelfs misdadig te noemen. (including…)
Nee, ik zou die zooi niet missen mochten ze die plots van het net af flikkeren.
Beurscrisis treft IT-speak
Ik schat dat in ruwweg de helft van alle interviews over zakelijke IT-projecten op een gegeven moment het wonderlijke begrip “cloud computing” valt. Het is veruit de stomste term die de computersector – die in deze nochtans een indrukwekkend palmares kan voorleggen – ooit heeft voortgebracht. Op een schier misdadige manier gesimplificeerd, komt het erop neer dat de computerprogramma’s van bedrijven niet langer draaien op de servers van het bedrijf zelf, maar ergens op een datacenter – hele zalen vol superkrachtige computers die via een snelle internetverbinding verbonden zijn met de bedrijven die er gebruik van maken – die gerust aan de andere kant van de wereld kunnen staan. Iedereen die zijn mail leest op Gmail.com of Hotmail.com doet met andere woorden een beetje aan cloud computing.
Maar daar wou ik het eigenlijk niet over hebben. Wel over de manier waarop medewerkers van IT-bedrijven zich vaak in duizend bochten tegelijk wringen om de materie aan leken uit te leggen. Echte IT-specialisten gruwen namelijk van de simplificatie die ik hierboven gebruikte. Want het is niet helemaal correct, en als het niet helemaal correct is in IT, dan werkt het niet. Zo simpel is het voor hen. Als elke 0, x, >, % of = op de juiste plaats moet staan, dan wordt dat een mentaliteit, vermoed ik. Helaas maakt het er de communicatie met IT-experts niet eenvoudiger op.
Door de beurscrisis is de discussie er zowaar nog wat ingewikkelder op geworden. Critici van cloud computing werpen namelijk vaak op dat heel wat bedrijven nooit ofte nimmer hun computersystemen – inclusief de vaak gevoelige informatie over klanten, producten of zelfs concurrenten – gaan toevertrouwen aan een of ander bedrijf dat men enkel kent via de website en wat e-mails. De verdedigers van cloud computing hadden een geweldige analogie ontdekt om die kritiek te counteren. “Waar bewaar jij je geld?”, vroeg zo iemand dan. “Dat vertrouw je toch ook toe aan een bedrijf – soms zelfs maar een website – dat je nauwelijks kent? Sommige bedrijven hebben miljoenen dollars reserve op de bank staan – waarom zouden ze dan hun klantendatabase en e-mailsysteem niet aan een ander overlaten?”
Afgelopen donderdag hoorde ik een kerel van SAP deze “line of defense” nog gebruiken. Maar gelukkig was deze man niet de doorsnee-robot die je in deze sector helaas maar al te vaak tegen het lijf loopt, en had hij genoeg werkelijkheidszin om zichzelf te onderbreken met een gortdroog “Gee, that line used to work a whole lot better around a week ago…”
De truuk met de foef
“Sex sells” is een van de meest gekende en schaamteloos toegepaste marketingwijsheden. Het werkt altijd en overal, behalve wellicht in een aantal islamitisch georiënteerde naties…
Meestal zijn het blote tieten – God’s beste werk, volgens velen – die worden gebruikt om de de argeloze koper in de val te lokken. Maar vandaag is wat dat betreft weer een grens verlegd. In Goedele, het nieuwe maandblad rond… euh, Goedele staat een reeks vagijnen zo groot afgebeeld dat zelfs Stevie Wonder de g-plek kan zien zitten. Toegegeven, dat past naadloos binnen het concept, en Goedele kan zich beroepen op haar achtergrond als seksuologe om het te verantwoorden, maar het is natuurlijk in de eerste plaats een geslaagde PR-stunt. Zowat elk krantenartikel had het erover en uiteraard hebben ook enkele bloggers het gemeld.
Loopt iedereen daarom meteen naar de krantenwinkel om het nieuwe blad – uiteraard stiekem verborgen in een exemplaar van De Tijd – mee naar huis te nemen? Neen, dat zou maar al te gemakkelijk zijn. En daarvoor is de erotische uitstraling van zo’n medisch uitgelichte hoofdingang ook wat te beperkt. Wat telt, is dat het nieuwe blad meteen een imago heeft: het is niet zomaar een nieuw blad, maar een boekske met een foto van een preut in. Het is dus stout, gedurfd, grensverleggend, geen kleur- en smaakloze prul. Zelfs al zouden alle artikels in deze editie van een schabouwlijk niveau zijn (wat ik sterk betwijfel), dan maakt dat allemaal niet uit. Goedele – het boekje – heeft vanaf dag één een smoel, dat is wat telt. Een enigszins harige smoel, dat wel, maar beter dat dan niets…
Benieuwd of het vertrouwen van de adverteerders gaat volgen. Amper 16 pagina’s advertenties op een totaal 156, waarvan minstens de helft intern (voor andere Sanoma-bladen bijvoorbeeld) of in ruil, dat is niet meteen een weergaloos succes te noemen.







